Black overlay

Telefonisch bestellen

Graag telefonisch producten bestellen?

088 - 572 05 72 

Op werkdagen van 8.00 tot 19.45 uur, op zaterdag van 11.00 tot 16.30 uur

Klantenservice

Wilt u contact met onze klantenservice?

088 - 572 02 02 

Op werkdagen van 8.00 tot 19.45 uur, op zaterdag van 11.00 tot 16.30 uur

Klantenservice@nrcwebwinkel.nl

Daniel Dennett : Van bacterie naar Bach en terug (door Hendrik Spiering)

5
Fonkelende software in een apenbrein
Hendrik Spiering

Fonkelende software in een apenbrein | 16 dec. 2018

De menselijke geest wetenschappelijk bekijken, dat is de core business van Daniel Dennett. Hij is een van de belangrijkste Amerikaanse filosofen van dit moment. Grote vragen schuwt hij niet. Zoals: wat is denken? En: hoe komen wij mensen toch aan ons bijzondere bewustzijn? Over die unieke positie van het menselijke bewustzijn heeft Dennett (Boston, 1942) een uitgebreid en complex boek geschreven, dat een van zijn belangrijkste werken is geworden (naast Consciousness Explained uit 1991 en Darwin’s Dangerous Idea uit 1995).

Al zijn bekende ideeën komen in dit nieuwe boek samen: de menselijke geest als optelsom van ontelbare kleine mentale machientjes, maar ook zijn fascinatie met het Darwinistische proces: hoe uit heel veel kleine toevallige stapjes iets kan ontstaan dat tóch complex en doelgericht is. Of het nou een bacterie is, of ons brein, overal ontstaat uit het kleine het grote.

Dit nieuwe boek is een majestueuze (en vaak geestige) synthese van zijn werk. Het is ook een zorgvuldig opgebouwd betoog over bijna álles. Zoals het ontstaan van het leven, de essentie van ‘informatie’, de enorme kracht van de totaal onbewuste ‘ontwerptechniek’ van de evolutie, de beperktheid van zelfkennis, hoe kinderen taal leren, de kracht van de ‘memen-theorie’ (een meme is niet alleen een besmettelijk grapje op internet, in de wetenschap is het ‘een informatiestructuur van een manier om iets te doen’) enzovoorts. Zelfs relativeert hij nog even het gevaar van computers die slimmer worden dan wij: geen paniek, want zij ontberen de wilde perspectiefwisselingen van mensen.

Niettemin: de kern van zijn theorie over de oorsprong van het menselijke bewustzijn is simpel. Wij danken ons bewustzijn aan taal. Ons bewustzijn ontstond omdat het evolutionair nut had als controle-instrument voor onderlinge communicatie. En dankzij die ontwikkeling kunnen wij mensen nu als enige dieren op deze wereld abstract denken, poëzie scheppen én filosofische boeken schrijven.

Op zich is deze taal/bewustzijnstheorie een bekend ‘oorsprongsverhaal’ en ook best waarschijnlijk, alleen al omdat het twee heel speciale eigenschappen van de mens (taal en bewustzijn) met elkaar in verband brengt.

Origineel

De kracht van Dennett is dat hij deze theorie op een originele – en vrij overtuigende – wijze inbedt in een complete analyse van ons bewustzijn. Hij haalt daarbij veel overhoop, zoals de kwestie: waar komt die taal vandaan? En waarom hebben we geen toegang tot onze onbewuste informatieverwerking? En bijna altijd zit het anders dan je als eenvoudig, introspectief mens zou denken.

Dennett beukt zo hard op de onderdelen van ons bewustzijn dat je als lezer flink wordt losgeschud van de beperkte ‘normale’ blik op jezelf en de wereld. Overal zie je ineens vaardigheden zónder bewustzijn: kundigheid zonder enig begrip. Zoals een beer die prima kan fietsen. Een zeiler die niet kan uitleggen waarom hij zo hard kan gaan. Of een journalist die ‘gewoon’ maar begint te schrijven, zonder veel overzicht vooraf.

Dit is dus een boek met inzichten die nog jaren zullen opduiken in je geest. Zo zal de lezer, na Dennetts analyse van industriële spionage, nooit meer gedachteloos informatie in bits gaan opdelen, zoals de moderne theorie wil. Want inderdaad: wie goed thuis is in een industrieel proces hoeft vaak maar één significant detail te weten om een compleet geheim patent te kunnen stelen. Logisch misschien, maar het betekent wel dat voor mensen relevante informatie niet te tellen is. Betekenis is volstrekt afhankelijk van context.

Misschien wel het indrukwekkendste van Dennetts boek is dat hij op existentieel niveau een vlijmscherpe beschrijving geeft van ‘de menselijke bubble’: wij mensen vinden onszelf heel slim, maar normaliter leven we als gevangenen van wat Dennett ons manifest image noemt, de optelsom van onze blindheden en vanzelfsprekendheden. Introspectie leidt meestal tot misverstanden. Alleen de wetenschap, met zijn microscopen, geigertellers, CT-scans en ijskoude logica kan ons daaruit (een beetje) bevrijden, aldus Dennett.

Bijvoorbeeld, zonder kennis van zenuwbanen en terugkoppelingen in de visuele hersenschors zouden we echt géén idee hebben hoe we iets zien. Grappig en verhelderend is een denkbeeldige dialoog die Dennett schetst van iemand die ondervraagd wordt over wat hij ziet. Hoe weet je dat er een boom naast het huis staat? ‘Nou, hij staat er en ik zie dat het sprekend op een boom lijkt’. Maar hoe weet je dat het op een boom lijkt? ‘Dat weet ik gewoon’. En wat we niet kunnen ervaren, daarvan hebben we al helemaal geen idee. Een boom kan niet zien dat iemand met een kettingzaag komt aanlopen, en zo hebben wij van nature geen idee welke kanker er misschien in ons lichaam begint te groeien of welke meteoriet er op de aarde afkomt. Al die voor ons best relevante fenomenen bevinden zich ver buiten onze normale waarnemingshorizon, buiten ons manifest image.

Al die onkennis bedekken we met diepe gevoelens van vanzelfsprekendheid, sneert Dennett. Daarom is introspectie zo onbetrouwbaar. Omdat ons bewustzijn ooit ontstaan is voor communicatie met anderen ontvangen wij van ons lichaam alleen maar ‘eindconclusies’ over waarnemingen en ideeën. Daardoor lijkt ons geestelijk leven van binnenuit bekeken supernormaal, maar in werkelijkheid hebben we geen idee wat er zich afspeelt. Toen ik Dennetts boek uit had, verbaasde ik me een tijd lang nergens meer over. Zelfs de intens vreemde quantumwereld was lang zo gek niet meer, want álles was vreemd geworden. Onze vanzelfsprekendheden zijn maar schijnzekerheden.

Snel klaar

Maar soms is Dennett snel klaar met een kwestie. Neem bijvoorbeeld die eerste vraag waarmee deze recensie begon: wat is denken? Dat handelt hij al op de eerste pagina van zijn nieuwe boek af. Denken doen we met denkgereedschappen, vertelt Dennett bijna haastig. We denken met taal, logisch redeneren, lezen, schrijven, maar ook met al die concrete instrumenten buiten ons lichaam die de mensheid heeft uitgevonden, zoals microscopen, camera's en internet. Allemaal zaken die ons helpen bij de manipulatie van informatie in ons hoofd. Simpel, niet waar?

Typisch Dennett. Direct aan het begin van zijn boek betrekt hij met die paar zinnen over denkinstrumenten haast terloops zijn positie in het bewustzijnsdebat dat al eeuwen woedt, sinds Descartes rond 1640 de verbinding tussen geest en lichaam in de pijnappelklier positioneerde. Dennetts boodschap: houd toch op met dat zoeken naar een magische plek in het brein waar ons bewustzijn zetelt. Je hoeft niet te piekeren over bijzondere celstructuren en zenuwbanen. Ons geestelijk leven is een patroon dat zich op een hóger niveau afspeelt.

Ons denken functioneert dankzij een grote reeks van informatieverwerkende structuren in ons hoofd. In feite zijn we gasten in ons eigen brein, schrijft Dennett aan het einde van zijn boek. Inderdaad: een geest in een machine, maar héél anders dan Descartes en al die andere gelovigen in een Onlichamelijke Geest (c.q. ziel) ooit zouden hopen.

Want ons bewustzijn is bij Dennett niets meer en niets minder dan een soort hogere software dat draait ‘op’ een apenbrein. Niets méér dan dat, omdat het allemaal niet zo geheimzinnig is met dat bewustzijn. Het is wetenschappelijk prima te begrijpen, aldus Dennett. Want ons bewustzijn ontstaat als ‘gebruikersillusie’ doordat al die denkmachines en -gereedschappen in ons hoofd met één stem naar de buitenwereld moeten kunnen spreken.

Zó is het allemaal ontstaan, dat mooie bewustzijn, omdat onze voorouders steeds meer met elkaar gingen communiceren. Een sterk argument van Dennett hierbij is: in feite kennen we onszelf niet zo heel veel beter dan we een ander kennen. We praten tegen onszelf zoals we tegen een ander praten. Die controle en eenheid die bewustzijn ons geeft, komen voort uit de noodzaak om de uitgaande communicatie te toetsen aan ons eigenbelang en andere doelen. Want zelfs in hechte groepen is het niet verstandig zomaar álles aan een ander te vertellen. Het bewustzijn is aldus in zeker zin ontstaan als toezicht op de communicatie.

Maar het bewustzijn is ook niets minder dan knappe software in een apenbrein. Want dat praktische communicatie-controlerende bewustzijn van ons, die opeenstapeling van virtual machines in een dierenhoofd, kun je tegelijkertijd zien als een haast éven grote revolutie als het ontstaan van het leven ooit was, vier miljard jaar geleden. Ja, Daniel Dennett, de man die er vaak van beschuldigd wordt dat hij het bestaan van bewustzijn ontkent en bewuste mensen ziet als zombies, beschrijft het menselijk bewustzijn als een van de allergrootste revoluties in de geschiedenis van het leven. ‘In sommige opzichten is onze geest (mind) net zo verschillend van andere minds als levende organismen zijn van levenloze dingen’, schrijft hij.

De belangrijkste reden voor dat oordeel is dat met het menselijk bewustzijn ‘begrip’ in de wereld is gekomen. Met begrip ontstond er een geheel nieuwe vorm van ‘ontwerp’: niet langzaam en van onderaf, maar snel, top-down en volgens plan – zo ongeveer als de christenen geloven dat God álles heeft geschapen. Stel, je komt op een strand en daar zie je oesters liggen én een oesterhark. Die hark herken je onmiddellijk als een bewust ontwerp, zo simpel, zo doeltreffend! Daar is begrip voor nodig, geen dier kan zoiets maken.

En die geheel nieuwe top-down-manier van denken functioneert niet dankzij darwinistische mechanismen, van onderop, maar dankzij culturele evolutie, die werkt met die ‘bruikbare informatie-elementen’, door Dennett ‘memen’ genoemd. De memen bij uitstek zijn woorden: pakketjes van klanken die iets betekenen.

Memen zijn een beruchte term, ooit door Richard Dawkins bedacht, voor een soort ‘parasitaire mode-ideetjes’, die als een virus van brein naar brein springen, zonder dat je daar als mens veel over te zeggen lijkt te hebben. Dat onbewuste element van de memen is ook bij Dennett belangrijk, maar hij maakt duidelijk dat die memen door de mens ook gedomesticeerd kunnen worden. Sterker nog, Dennetts hele theorie over de oorsprong van taal (en dus van begrip en bewustzijn) is gebaseerd op de langzame domesticatie en toe-eigening van die aanvankelijk volkomen wilde informatie-elementen waarmee onze voorouders ooit besmet waren. Nog steeds zit in ons hoofd een heel scala van ‘wilde’ en ‘minder wilde’ memen. Sommige gedachten komen voort uit een nog altijd darwinistische ‘ideeënstrijd’ in ons onbewuste, anderen hebben we ‘top down’ stevig in de tang met onze gereedschappen. En de meest gedomesticeerde memen zijn die van de wetenschappelijke taal, aldus Dennett: daarin is bijna alles onder controle.

Om dit allemaal met elkaar in verband te brengen is een groot deel van Dennetts boek dus gewijd aan het verschil tussen het ‘natuurlijke’ kunnen en het ‘menselijke’ weten, of anders gezegd: tussen competence en comprehension, tussen vaardigheden en begrip. Natuurlijke selectie heeft in de loop van die miljarden jaren wonderen verricht op het gebied van vaardigheden. Van de knappe truc van de vogel die met een zogenaamd gewonde vleugel een vos van haar nest weglokt tot de eencelligen die onder de meest extreme onderstandigheden in leven kunnen blijven. En hoe onbewust ze ook ontstaan zijn, van al die vaardigheden kún je dus wel de reden bepalen. Over een steen die een berg afvalt kan je slechts vragen: waardoor? Niet: waartoe? Van een vos die achter een kip aan rent kun je dit wel, net als van een bacterie die wegbeweegt van een gifstof. Als een kikker springt heeft dat een of andere reden (omdat hij wil paren, eten, enzovoorts), maar zelf is hij zich van die doelmatigheid totaal niet bewust. Bijna vier miljard jaar duurde het dus voor er een wezen kwam die al die redenen wél kon zien en begrijpen.

Neiging tot imitatie

Hoe kon die ‘evolutionaire revolutie’ ontstaan? Toevallig bezaten onze voorouders behalve een redelijk groot primatenbrein ook een paar cruciale evolutionair ontstane eigenschappen: een neiging tot samenwerking én een neiging tot imitatie, aldus Dennett. En onder die bijzondere omstandigheden kon er onder deze oermensen een soort brabbeltaaltje ontstaan, uit vrij nutteloze memen, een vrijwel betekenisloos geneurie, dat als een parasitair virus mee kon liften op de neiging tot imitatie van deze nog onbewuste voorouders. En daaruit ontstond wat Dennett noemt: ‘een overvloed van klankproductie op zoek naar werk’.

Eenvoudige versterking van communicatie werd de niche waarin die klanken zich nuttig konden maken. Taal ontstond zo omdat de woorden de mens opzochten, niet omdat ze werden bedacht. Die groeiende nog onbewuste, maar steeds nuttigere, verbale competentie leidde er eerst toe dat mensen gingen nadenken over wat ze zouden gaan zeggen. En daarna kwam het nadenken óver denken: het begin van abstract begrip. Met betekenisrijke woorden ontstaan dus de eerste machtige denkgereedschappen in het mensenhoofd.

Als er later getallen, schrift, alfabetten enzovoorts bijkomen gaat die opmars van begrip razendsnel. Die prehistorische invasie van memen heeft onze breinen veranderd in ‘geesten’ (minds) schrijft Dennett. Sindsdien zijn redenen, concepten en analyses voor ons gewone dingen geworden, onderdeel van ons manifest image, even gewoon als bomen, vissen of fietsen. We gaan er nu moeiteloos mee om, met die bouwstenen van ons bewustzijn – waar de wereld toch vier miljard jaar op moest wachten.