Black overlay

Telefonisch bestellen

Graag telefonisch producten bestellen?

088 - 572 05 72 

Op werkdagen van 8.00 tot 19.45 uur, op zaterdag van 11.00 tot 16.30 uur

Klantenservice

Wilt u contact met onze klantenservice?

088 - 572 02 02 

Op werkdagen van 8.00 tot 19.45 uur, op zaterdag van 11.00 tot 16.30 uur

Klantenservice@nrcwebwinkel.nl

Strohalmen voor de lezer

Joseph Brodsky

Besproken in NRC
5

Schrijf een recensie

Bindwijze: Hardback
 59,90
Levertijd: 1-3 werkdagen
Verzendkosten: € 1,95 per bestelling

Besproken in NRC

Wij allen zijn opdrogende penseelstreken van de tijd
Guus Middag

Wij allen zijn opdrogende penseelstreken van de tijd | 12 jun. 2015

5

Denk ik aan Joseph Brodsky (1940–1996), dan denk ik nog altijd aan het eerste gedicht dat ik ooit van hem las: zijn gedicht over Dido en Aeneas. We zijn in Carthago, in een zaal van het paleis, met uitzicht op zee. Dido is er, en zij kijkt naar haar geliefde Aeneas. Maar Aeneas, ‘de grote man’, kijkt niet naar haar. Hij kijkt strak en zwijgend naar buiten, naar zee, naar een verre plek achter de horizon. En dan weten wij, lezers, eigenlijk al genoeg: Aeneas, gevlucht uit het verwoeste Troje, via omzwervingen op de kust van Noord-Afrika aangekomen, en daar liefderijk ontvangen door Dido, wil nu verder. Hij wordt gedreven door een hogere macht, naar een plek waar hij een nieuwe stad moet gaan stichten. In het gedicht van Brodsky zijn wij er getuige van dat dit besef tot Dido doordringt. Zij ziet hem in gedachten al aan de overkant aan land stappen. ‘En daarmee werd de zee een zee van tranen.’

Dit zou het droevige eind van het gedicht kunnen zijn, maar dan volgt er een typische Brodsky-wending. ‘Maar, naar bekend, gaat juist wanneer je wanhoopt / de wind vanuit de goede richting waaien. / En zo geviel het dat de grote held / Carthago toen verlaten moest.’ Een verrassend vervolg! Na het gedragen, verstilde begin komt er opeens schwung in het gedicht. Van de in zichzelf versomberende Dido verschuift het perspectief in één keer naar Aeneas, die voelt dat de wind is gedraaid en weet dat hij nu eindelijk kan vertrekken. Dan heet onze Aeneas ineens ‘de grote held’. Dan is de nieuwe windrichting ineens ‘de goede richting’. En dan blijkt dat ‘wanneer je wanhoopt’ geen betrekking heeft op de bedroefde Dido, maar op de ongeduldige Aeneas die wanhopig werd van het lange wachten op de juiste wind.

In zekere zin wordt Dido hier bedrogen door Aeneas. Dat gevoel wordt heel goed overgebracht omdat de lezer op hetzelfde moment bedrogen wordt door Brodsky. Maar dat probeert hij meteen weer weg te moffelen door een beroep te doen op het algemene gevoel dat de dingen nu eenmaal (‘naar bekend’) gaan zoals ze gaan. En daar zit dan meteen ook weer iets humoristisch in: wij worden door de spreker wel erg opzichtig verleid om van standpunt te veranderen.

Wat is hier nu typisch Brodsky aan? Om te beginnen de verrassing. Bij Brodsky moet je altijd bedacht zijn op een verrassende wending – in het groot, of in het klein. Verder: de verschillende perspectieven. De gedichten van Brodsky zijn nooit eendimensionaal. Ook als hij over zichzelf in de ik-vorm schrijft, speelt er altijd een andere (relativerende, of beschouwende, of ironiserende) blik mee. Vaak is er, zoals in ‘Dido en Aeneas’, een algemeen standpunt, een meta-standpunt dat als het ware boven het gedicht zweeft. Er spreken meer stemmen tegelijk, en misschien moet je dat dan ‘de stem’ van Brodsky noemen. Van een eenvoudige vertelling kan hij zomaar doorschieten naar een filosofische vraag. En terug. Een mythologisch gegeven (als dat van Dido en Aeneas) kan door de ironische behandeling zomaar een herkenbaar liefdesdrama worden. Mens en mythe liggen dicht bij elkaar.

Sint Petersburg

Er zit ook nog een historische kant aan dit gedicht. De toespeling op de verwoesting van Carthago, aan het slot van het gedicht, zou een ‘vermomde’ toespeling kunnen zijn op de ondergang van Sint Petersburg, de geliefde geboortestad van Brodsky. Dat heb ik niet zelf bedacht – dat haal ik regelrecht uit aantekeningen van Kees Verheul bij dit gedicht, inclusief de term ‘vermomming’. Zoals ik ook niet zelf heb bedacht dat het gedicht over Dido en Aeneas een ‘vermomming’ zou kunnen zijn van wat Brodsky overkwam toen hij het schreef: een dramatische breuk met zijn Leningradse geliefde en het vooruitzicht van een vertrek naar het Westen in het spoor van zijn nieuwe Engelse vriendin.

Er is altijd al veel poëzie van Brodsky in het Nederlands vertaald geweest, en vanaf het begin was Kees Verheul daarbij betrokken. Hij leerde Brodsky in de jaren zestig kennen en is tot de vroege dood van de dichter, in 1996, met hem bevriend gebleven. Hij heeft de eerste introducerende stukken over hem geschreven (onder andere over ‘Dido en Aeneas’), hij heeft al zijn stukken over Brodsky bijeengebracht in een boek (Dans om de wereld), en hij heeft in 1989 al eens een eerste ruime keuze (De herfstdraad van de havik) samengesteld uit alle gedichten die tot dan toe door verschillende vertalers waren vertaald.

Nu heeft hij hetzelfde nog eens gedaan, maar dan uit het gehele oeuvre van Brodsky, inclusief de in het Engels geschreven gedichten. Het is nog net geen verzameld werk, maar het scheelt niet veel. Het is een keuze, ‘die geruime tijd als min of meer definitief zal kunnen gelden.’ De vertalingen zijn opnieuw door verschillende vertalers geleverd: Margriet Berg, Jan Robert Braat, Anneke Brassinga, Arie van der Ent, Marko Fondse, Gents Collectief van Poëzievertalers, Arthur Langeveld, Leidse Slavisten (met Karel van het Reve), Anne Stoffel, Charles B. Timmer, een Werkgroep van het Slavisch Instituut van de Universiteit Utrecht (met Arthur Langeveld), Marja Wiebes, Peter Zeeman – en Kees Verheul zelf. Natuurlijk leidt dat tot onderlinge verschillen. Aan sommige vertalingen is inmiddels wel te zien dat ze meer dan dertig jaar geleden zijn gemaakt. Maar er zijn er ook, en veel meer, die er nog altijd vers, fris en soepel uitzien.

Tientallen gedichten zijn speciaal voor deze bundel vertaald. In één geval besloot Verheul twee vertalingen op te nemen: het lange ‘De herfstdraad van de havik’, over de machtige vlucht van een havik die steeds meer op Icarus begint te lijken, en waarvan het noodlottige einde de Nederlandse lezer zo sterk doet denken aan het einde van Nijhoffs ‘Het lied der dwaze bijen’, met die sneeuwvlokken die omlaag gedwereld komen. Het is er in een vertaling zonder (Jan Robert Braat) en met rijm (Peter Zeeman).

Aan de zevenhonderd bladzijden poëzie heeft Verheul hier honderd bladzijden annotaties toegevoegd – en ook die zijn erg de moeite waard. Kees Verheul lezen is een van onze beste poëzielezers en een van onze beste essayisten. Hier mocht hij van zichzelf losjes te werk gaan. Zijn aantekeningen zijn zeker niet uitputtend, maar alles wat hij toevoegt is interessant. Soms is dat een simpele herleiding van een duister citaat, maar meestal laat hij zich verleiden tot een geïmproviseerde uiteenzetting. Dat kan gaan over de invloed van de filosoof Lev Sjestov op Brodsky, de interpretatie van een gedicht, biografische achtergronden, thema’s en motieven, de politieke toestand in Rusland, de betekenis van W.H. Auden voor Brodsky, vriendschappen en verwantschappen, wat niet al. Verheul weet dingen die niemand anders kan weten: hij legt uit waarom het gedicht ‘Holland’ bij de eerste publicatie niet, en bij de tweede wél een opdracht ‘voor Kees Verheul’ meekreeg. En, nog verrassender, hij legt uit waarom het gedicht op inhoudelijke gronden eigenlijk beter geen opdracht mee had kunnen krijgen.

Strohalmen voor de lezer is een boek dat je overal kunt openslaan – in de afdeling met annotaties én in de afdeling met gedichten. Veel ontwikkeling zit er niet in, want Brodsky was al meteen erg goed, vanaf zijn allereerste gedicht. En al meteen erg veelzijdig. Voorzover ik het nog niet wist, zag ik het hier nog eens bevestigd: wat een geweldig rijk en gevarieerd oeuvre.

Liefdesverdrietgedichten

Brodsky schreef allerlei soorten gedichten: korte en lange, eenvoudige en moeilijke, rijmende en niet rijmende, in allerlei vormen en in allerlei stijlen. Liefdesgedichten en liefdesverdrietgedichten. Portretten van vrienden. Schilderingen van landschappen en van steden. Brieven op rijm. Monologen en dialogen, tot aan hele toneelstukken toe. Een zeventien pagina’s tellend filosofisch-psychologisch misdaadverhaal in dichtvorm. Een ‘novelle’ in poëzie, over Isaac en Abraham. Een ‘vertoog’ van vijftien pagina’s, min of meer in rap-vorm. Reeksen en cycli. Satire, essay, filosofie. Elegie, ode, sonnet.

Elk jaar schreef hij een kerstgedicht, rond het elk jaar weer inspirerende, en sfeervolle gegeven van een man (Joseph) en een vrouw (Maria) en een pasgeboren kind in een kribbe, in een stalletje, in de nacht, onder het toeziend oog van een ster. Meer dan tachtig gedichten schreef hij in de loop der jaren voor (en ook wel tegen) zijn vroegere geliefde Marina Basmanova – bij elkaar vormen ze een klein liefdesepos. Ik kan zo geen dichter bedenken die in stijl, genre en onderwerp een zo breed spectrum kon bedienen – of het zou Auden moeten zijn, Brodsky’s grote voorbeeld.

Sparrengotiek

In de gedichten van Brodsky vind je altijd iets bijzonders. Om te beginnen, zoals ik al zei: verrassingen. Die zitten overal, tot in de kleinste details. Losse beelden: ‘de sparrengotiek in de Russische vlakte’. Waarnemingen: ‘Een geile straatsteen gluurt naar het blauwe ondergoed / van je langbenige vriendin.’ Verbindingen: in 1973 nam hij deel aan Poetry International, in Rotterdam, in een hoog gebouw ‘dat naar de sterren reikt / op een niveau dat eerder werd bereikt / door hen die hier destijds de lucht in vlogen.’ Hij is goed in droge terzijdes. ‘Bergbeklimmen / of sterven van de dorst, dat gaat in Holland niet.’ En het wemelt in zijn poëzie van de terloopse wijsheden, waar ik altijd om moet grinniken – al kan ik me voorstellen dat een ander er zijn schouders over ophaalt. ‘Geluk heeft de gewoonte kort te duren.’ Zo is het helemaal! ‘Al is het een zinloze zaak, toch groeien de bomen voort.’ Je doet er niks tegen!

Ik weet nog steeds niet goed hoe ik zijn poëzie nu zou moeten karakteriseren. Kees Verheul spreekt van ‘het samengaan van verhevenheid met aardse humor, van religieuze denkbeelden met erotiek, van een beteugelde heftige emotie met heftig abstract geredeneer’ als kenmerken van ‘de onverwisselbare Brodsky-toon’. Het is nog heel breed, maar zoiets is het wel.

Je kunt het terugvinden in een vroeg gedicht als ‘Grote elegie voor John Donne’, maar ook in een klein, onopvallend, laat, achterafgedicht als ‘Zomeravond’. Daarin treffen we de dichter aan ‘onder een wijdvertakte, lispelende iep’, bij een café, in maanlicht. Hij bladert wat in de krant, als ineens zijn eigen nietigheid tot hem doordringt en hij beseft maar een ‘figurant’ te zijn, ‘iemand die men als hij verdween / niet zou missen.’ De tijd schildert, het leven is de verf, en hij is maar ‘een opdrogende penseelstreek op een / van de doeken die door de tijd worden opgezet.’ En dan dringt zich het hevige besef op dat dit tafereel een herhaling is. Dit is allemaal al eens eerder gebeurd. Café, terras, krantje – en daar dienen zich de grote vragen aan. ‘Wiens […] weggewist bestaan / herhalen wij, de iep en ik?’

Productkenmerken

ISBN 9789023483397
Auteur Joseph Brodsky
Uitgever De Bezige Bij
Datum uitgave 20150609
Lengte (in mm) 222
Breedte (in mm) 145
Dikte (in mm) 55
Aantal pagina's 1152

Recensie van klanten

Schrijf uw eigen recensie

U recenseert: Strohalmen voor de lezer

  •  
    1 ster
    2 sterren
    3 sterren
    4 sterren
    5 sterren
    Beoordeling

* Vereiste velden