De opgang

Stefan Hertmans
24,99
Op voorraad
SKU
9789403101316
Besproken in NRC
Bindwijze: Hardcover
Levertijd 1-2 werkdagen Verzendkosten € 2,95
  • Gratis binnen 14 dagen te retourneren
  • Veilige en makkelijke betaalopties
  • Aangesloten bij Thuiswinkel Waarborg
  • Makkelijk bestellen zonder account
Afbeelding vergroten
Productomschrijving
In de zomer van 1979 trok een huis in het Gentse Patershol de aandacht van Stefan Hertmans. De blauweregen hing bestoft neer, maar de geur trof hem diep en bracht hem terug naar zijn kinderjaren. Hij kocht het pand in een opwelling. Pas nadat hij het twintig jaar later had verkocht werd hij geconfronteerd met wat er zich tijdens de oorlog had afgespeeld. Verbijsterend was de ontdekking dat de vroegere bewoner een ss’er was. ‘Het is onbegrijpelijk,’ schrijft Hertmans, ‘dat alles wat ik toen al had kunnen weten of tenminste toch vermoeden, zo gedachteloos aan mij voorbij had kunnen gaan.’ Langzaam komt de man die hij wil leren begrijpen in beeld, alsook zijn Nederlandse, pacifistische echtgenote en hun kinderen, van wie de oudste zoon een vooraanstaand Vlaams intellectueel zou worden. Hertmans spreekt met nabestaanden, raadpleegt archieven, vindt intieme documenten. In zijn herinnering loopt hij weer door alle kamers die hij zo lang heeft bewoond. In De opgang komt de lezer huiveringwekkend dicht bij een politiek drama, dat ook een huwelijksdrama was. Opnieuw blijkt Hertmans verbonden met een verhaal dat aan belangrijke historische gebeurtenissen raakt. Opnieuw brengt het zijn verbeelding en pen op briljante wijze in beweging.
Meer informatie
Auteur(s)Stefan Hertmans
ISBN9789403101316
BindwijzeHardcover
Aantal pagina's352
Datum van verschijning20201001
NRC Recensie4 ballen
Breedte147 mm
Hoogte222 mm
Dikte32 mm
NRC boeken recensie

De geest van de SS’er waart nog rond

Stefan Hertmans In zijn nieuwe roman (●●●●) gaat de Vlaamse schrijver Stefan Hertmans op zoek naar de zwarte geschiedenis van zijn huis.

Er waart een spook door het huis, het spook van een SS’er. Dat is kort gezegd tóch het uitgangspunt van De opgang van Stefan Hertmans (1951), wat hij zich ook voornam in zijn proloog: ‘Goed, dacht ik, laat me dan niet het verhaal van een SS’er vertellen; die zijn er al genoeg.’ Wie het daarmee eens is, zou wel argwaan kunnen voelen bij wat volgt: een biografische roman over Willem Verhulst, een Vlaamse SS’er. Met daardoorheen geweven, of daaromheen geplooid, het verhaal van een woning aan de Drongenhof in Gent.

Maar toch: het verhaal van een SS’er. En toch ook niet alléén dat.

De woning komt Hertmans tegen in een boek, Zoon van een »foute« Vlaming van Adriaan Verhulst, van wie hij als geschiedenisstudent ooit les had. In het boek, bekentenisliteratuur, haalt Verhulst herinneringen op aan zijn jeugd in het Gentse huis ‘en noemt hij mij als de huidige bewoner; ik bleef ongelovig zitten staren met het boek in mijn handen’. Jaren na dato, wegverhuisd alweer, ontdekt hij dat het riante huis, dat hij eind jaren zeventig in zwaar vervallen staat op de kop tikte, een zwarte geschiedenis heeft. Hij ging op onderzoek uit naar Willem Verhulst, wat hem nog twintig jaar zou kosten – en nu resulteerde in dit boek.

Hij is er diep in gedoken – en zo ongeveer de eerste honderd bladzijden vertellen in hoog tempo over de jeugd en volwassenwording van Willem Verhulst; een hoge informatiedichtheid, maar uitstekend gedoseerd, levendig, betekenisvol. Over hoe hij als kind het zicht in één oog verliest, waarbij hij zelf lang nadien aantekende dat ‘doen alsof ik niets had gezien […] mij later nog vaak van pas gekomen’ is. Over hoe de taalgrens scherp door de stad loopt: ‘de Vlaamstaligen werden geminacht’ en de Franstalige jongens sloegen erop. Over zijn eerste liefje, met wie hij danst in de volkskroeg, ‘ze is dol op zijn zweetgeur en lacht in zijn armen’. Zou het? De vertelling laat je bijna geen moment om je dat af te vragen: of Hertmans werkelijk zo’n rijke schat aan bronmateriaal heeft gevonden, tot zweetgeur toe gedetailleerd – of dat hij toch, soms, misschien, met zijn verbeelding iets aanvult?

Slechte mensen
Het is in Hertmans’ oeuvre doorgaans geen onbelangrijke vraag, maar in De opgang eigenlijk geen kwestie die je lang bezighoudt. Al is het maar omdat Hertmans over cruciale zaken feitelijk genoeg is, en kleine fotootjes in de roman opnam, als bewijs. Maar vooral omdat je de momenten waarop Hertmans zijn literaire instrumentarium en verbeelding inzet, gemakkelijk herkent, én savoureert. Dan kruipt hij helemaal de scène in, neemt hij even de stem aan van zijn personages, hun couleur locale, en dan zíjn we even daar op het platteland, waar Willem zijn oog laat vallen op boerendochter Mientje, wat haar vader uiteraard afkeurt. Dan staat er, in de indirecte rede, maar ook met voelbare inmenging van de schrijver: ‘Goddomme wat is die boer nurks en nors zoals het hoort in plattelandsnovellen en aftandse romans, de kalverachtige dochter heeft zweetpareltjes op de donzige bovenlip’ – verzónnen zweet, dat is wel duidelijk. Hertmans verzint, maar is er klaarblijkelijk ook op uit om de feiten voorop te stellen. Het verleden is het uitgangspunt en dat is hij bezig dichterbij te brengen, de feiten in te kleuren.

Die afstand tot de materie – niet veroordelen, wel tot leven wekken – is een schrijftechnisch hoogstandje (voor wie erop let) en zo schept Hertmans in zijn eerste honderd bladzijden een mens: invoelend, maar zonder overvloedig vergoelijkend te zijn. Het oordelen laat hij aan zijn personages over, ook als dat de vorm van niet-oordelen aanneemt: ‘Geen slechte mensen, daar niet van, wat zeg ik, op de vader na, welja, eigenlijk ook geen slecht mens, maar verdwaald, verdoold, verblind, meer kunt ge dat niet noemen’. Aan het woord is daar de notaris die Hertmans in 1979 rondleidt door zijn nieuwe huis. Dat is een rode draad in De opgang: hun wandeling door het vervallen huis, om de staat ervan op te nemen: vocht in de muren, stinkend water in de kelder. Maar geen slecht huis, hoor, daar niet van. Steeds een verdieping hoger, gelijk op met Willem Verhulst, die steeds meer opgaat in zijn aangenomen identiteit.

Onschuldige echtgenote
Na die jakkerende biografie in de eerste honderd pagina’s is de SS’er in Verhulst waarlijk opgestaan. Vanaf dat punt ligt de nadruk op het perspectief van Mientje, de onschuldige echtgenote en moeder, veroordeeld tot het huis, terwijl haar geüniformeerde man weg is. Iets is voortgekomen uit zijn eerdere ‘rare besognes’ met de Vlaams-nationalisten, hij komt in het gevlij bij de Duitse bezetter.

Welke wandaden hij op zijn kerfstok heeft, krijgen we mondjesmaat te weten: het blijft een vraag die de spanning in de roman houdt (waarin wel bijvoorbeeld de Hitlerjugend-uitstapjes van de kinderen Verhulst iets té noest uitgevlooid worden). Betekenisvoller nog is die dosering voor de positie die het verhaal inneemt. Hertmans reconstrueerde vooral de levens van de nabije toeschouwers, de omgeving, net náást het kwaad. In Willem Verhulst is hij niet overmatig geïnteresseerd, veeleer in de gevolgen van zijn daden.

Zwarte stoep
De crux (en een spoiler, wellicht) is: na de oorlog wordt Verhulst eerst veroordeeld tot levenslang, maar al na luttele jaren komt hij vrij, dankzij handige contacten. Waarna hij weliswaar niet naar Gent mag terugkeren, waar Mientje al van hem gescheiden is (het huis aan de Drongenhof is nota bene een toevluchtsoord voor oorlogsslachtoffers geworden), maar zijn leven toch vrolijk (met minnares) doorgaat.

Dát verhaal beklijft vooral van De opgang: dat Hertmans niet alleen oorlogsmisdaden, maar ook onveranderlijkheden blootlegt, de lange lijnen van de geschiedenis. De historische sensatie is een middel, geen doel. Het gaat erom dat het huis aan de Drongenhof er nog stáát, en alle verval wel degelijk overleeft: dat het spook van de SS’er nog niet uitgespookt is. Stuitend is het, hoe het Vlaamse nationalisme een ononderbroken lijn in de geschiedenis vormt en de collaboratie met de nazi’s daarin slechts een fase was. Ter illustratie: huidig Vlaams-nationalistisch kopstuk Bart De Wever sprak op de begrafenis van Verhulsts (zeer nazistisch angehauchte) maîtresse, waarbij ‘haar niet-aflatend engagement voor het Vlaams-nationale leven geroemd’ wordt, en haar kwalijke geschiedenis verzwegen.

Bij het Gentse huis vindt Hertmans nog een restant van de blauweregen die Mientje er ooit plantte, ‘iets als een zwarte magere arm’. Een stevig symbolische, maar toch subtiel getoonzette metafoor, waarin de kern van de grote zeggingskracht van deze roman vervat ligt.

Er is één echte gemiste kans: middenin de roman schiet de schrijver een ‘pijnlijke herinnering’ te binnen. Hij is zeventien en danst mee op de golven van de revolutie van ’68, de jongeren trekken met baldadige energie door de straten van Gent, ook zwaaiend met vlaggen van de Vlaamse Leeuw, want ach, revolutie! Hij moet Mientje gepasseerd zijn, realiseert hij zich nu, en zij ‘moet gedacht hebben dat al haar vroegere nachtmerries weer wakker werden’. Het is een ongemeen krachtige scène, waarin je de zelfwoede voelt: hij berispt zichzelf, de schaamte overvalt hem persoonlijk – eenmalig. Verder is de schrijver steeds observator. Terwijl hij jaren later, bij het zwartverven van de voordeur, de verfpot heeft laten vallen ‘zodat het zwart in alle richtingen uit elkaar spatte’, tot ‘een enorme zwarte vlek, vat je hem, grote rebel?’ Over die woede had ik nog wel meer willen lezen, over dat eigen zwarte stoepje.

2020-10-09 Thomas de Veen

Bestanden bij dit product
Inkijkexemplaar.pdf (182.34 kB)
Back to top