Het failliet

Arnoud van Adrichem
21,99
Op voorraad
SKU
9789025458027
Besproken in NRC
Bindwijze: Paperback / softback
Levertijd 1-2 werkdagen Verzendkosten € 2,95
  • Gratis binnen 14 dagen te retourneren
  • Veilige en makkelijke betaalopties
  • Aangesloten bij Thuiswinkel Waarborg
  • Makkelijk bestellen zonder account
Afbeelding vergroten
Meer informatie
Auteur(s)Arnoud van Adrichem
ISBN9789025458027
BindwijzePaperback / softback
Aantal pagina's144
Datum van verschijning20200519
NRC Recensie4 ballen
Breedte161 mm
Hoogte240 mm
Dikte14 mm
NRC boeken recensie
Exhibitionisme en voyeurisme slaan de klok in dit decadente lustoord Arnoud van Adrichem Het is niet helemaal duidelijk wie er failliet is gegaan in de nieuwe dichtbundel van Arnoud van Adrichem, wel waar die naartoe is vertrokken: een decadent lustoord, dat doet denken aan Temptation Island. Hiaten verhelderen de overgang, schrijft Arnoud van Adrichem (1978) in zijn eerste dichtbundel in vijf jaar, Het failliet. Hij bedoelt de overgang naar zomertijd: ‘Kort / na de overgang naar zomertijd botsen meer auto’s op elkaar. Er is veel te doen / om dat ene uurtje.’ Even later wordt zelfs beweerd dat er door ‘de omschakeling naar zomertijd’ meer doden vallen: ‘Onderzoekers bespeuren een hartinfarctenpiek. Rustig, het / gaat maar om zestig minuten.’ Nog zo’n hiaat, de belangrijkste in de bundel: een failliet. Schuldeisers arriveren al om de boedel op te eisen: ‘Wij willen geld zien. / Witgewassen, gestreken / in je kofferbak.’ En: ‘Je schuldenlast barst / open onder het gewicht / van een deurwaarder.’ Het is niet helemaal duidelijk wie er failliet gegaan is, wel waarnaartoe die vertrokken is: een kust met Ibiza-achtige kwaliteiten, misschien wel een belastingparadijs. Is de gefailleerde hierheen gekomen om een nieuw leven te beginnen? Dat is de belofte van een faillissement, een schone lei, al is de werkelijkheid, ook in Het failliet, vaak weerbarstiger: ‘Geruïneerd? Ik? / Blut en gebutst misschien, maar / nog kredietwaardig. // Toch heet ik ineens / uitheems in eigen heimat.’ Kijk je op dit strand om je heen, dan vraag je je af of er niet eerder iets failliet is dan iemand. Het wemelt er van het naakt dat door personages, camera’s en zelfs de wind begluurd en bepoteld wordt. Zowel torso’s als boulevards druipen van de olie. Alles ademt seks. Van dat alles toont Van Adrichem beelden, alsof we in een aflevering van Temptation Island terechtgekomen zijn: ‘Koud zweet marineert / oksels, druppels glijden langs / fatale dijen.’ Of: ‘De camera daalt / tussen je benen. Je spreidt, / sluit. Snel als een blik. // Bleek als een dinsdag.’ Exhibitionisme en vooral voyeurisme slaan de klok in dit decadente walhalla – en draait het daar ook niet om bij een faillissement? Van Adrichem schrijft niet voor niets: ‘Wij lichten het deksel om / je bankroet te zien.’ Deze wereld roept de dichter op in het openingsgedicht ‘Schelp’ en de verschillende strandscènes waarmee hij de lange gedichten in Het failliet afwisselt. Stuk voor stuk zijn die scènes variaties op hetzelfde tafereel aan zee: ‘Wat de branding teruglegt, doet ertoe: schelpen, / letters. Een fles waarin een prachtig gedicht zit.’ Deze laatste zin wijst vooruit naar het slotgedicht van Het failliet – ‘Fles’, inderdaad een prachtig, maar vooral een buitengewoon gedicht. Met het oog op de omvang, de vorm en het perspectief lijkt dit gedicht dag en nacht te verschillen met het voorgaande. Het is vijfendertig pagina’s lang (er is nog een langer gedicht, ‘Verf’, veertig pagina’s lang) en bestaat afwisselend uit strofen van drie of vier regels en korte tussenzinnetjes, bij wijze van reactie op het voorgaande, een beetje zoals Arjen Duinker in zijn recente bundel Akoestiek deed, alleen dan wijdlopiger. Neem het slot: Geen gewenning, maar gewoonte. Sinds ik hier werk schrijven wij rode cijfers. Ketchuprood, frambozenrood, remlichtrood. Het vloeit uit over onze ge- zichten. Ik droom in het rood. Nooit geweten dat een failliet zo filmisch kon zijn. Een paleis, een ruïne. Herfstachtig uitgelicht. De wensencarrousel begint te draaien. Verlangen wij een doorstart? Niet nu, zeg je. Misschien morgen of over een maand of over drie jaar. Vandaag ben je niet meer te achterhalen, gefailleerde. Je bent niet eens in beeld geweest. Een idee ontvouwt zich in een palmboom. Tieners verdringen zich om je lijf in te smeren met roomvette zonnebrandcrème. Een gelukkiger einde kunnen wij zo snel niet bedenken. Verklap het niet. Het is de enige plot die we hebben. Over tientallen pagina’s worden zulke fragmenten aaneengeschakeld tot een snelle diashow. Zo’n gedicht wordt wel een sequentie genoemd. Je treft die vorm vooral aan bij hedendaagse Amerikaanse experimentele dichters. Van een aantal van hen, onder wie Rachel Blau DuPlessis en Lyn Hejinian, tref je motto’s in Het failliet aan. In Nederland zou je kunnen denken aan N30 (2006) van Jeroen Mettes. Welk verhaal een sequentie vertelt, is niet duidelijk. De grote omvang maakt het moeilijk een verhaal te reconstrueren, ook omdat de dichter al in de fragmenten zelf alle kanten uitschiet. Het is niet zo dat je te weinig aanknopingspunten hebt, eerder heb je juist te véél associaties, variaties, suggesties en motieven: faillissementen, filosofische gedachten, momenten in de kunstgeschiedenis, luchtvervuiling in Shanghai, atelierbezoeken, verzengende hitte, de werking van het geheugen, seks, de betekenis van de kleur rood, een denkbeeldige zoon. En dan komen je eigen associaties, connotaties, gedachten en fantasieën daarbij ook nog op de proppen. Deze poëzie stuurt daarop aan: dat je niet alleen in de tekst, maar ook met je eigen bagage zoekt naar verbanden en manieren om de gaten in de tekst – de hiaten, dat ene uurtje, of, nog een synoniem, een ‘narratieve ellips’ – op te vullen, te plaatsen en te begrijpen. Het gedicht ‘Verf’ opent met deze zinnen: ‘Het raam staat open. Kom binnen. Alles wat aanwaait is welkom.’ Die drang tot interpretatie wordt in Het failliet gethematiseerd, ontmaskerd en gefrustreerd, maar dat betekent niet dat het lezen van deze poëzie een frustrerend proces is, althans niet voor mij. Van Adrichem schrijft: ‘Vind ik een lacune, dan spring ik erin. Je bedoelt een lagune.’ We zijn weer op het punt dat je in het diepe kunt springen, maar ook terug aan de kust, waar het filmische failliet begon, waar de branding vondsten teruglegt: ‘Welkom is wat aanspoelt. En jij maar / jutten…’ 2020-09-11 Obe Alkema
Bestanden bij dit product
Inkijkexemplaar.pdf (58.26 kB)
Back to top