Willem die Madoc maakte

Nico Dros
27,50
Op voorraad
SKU
9789028223035
Besproken in NRC
Bindwijze: Hardcover
Voor 23:00 besteld, morgen in huis Verzendkosten € 2,95
  • Gratis binnen 14 dagen te retourneren
  • Veilige en makkelijke betaalopties
  • Aangesloten bij Thuiswinkel Waarborg
  • Makkelijk bestellen zonder account
Afbeelding vergroten
Productomschrijving
Na een storm in het jaar 1196 halen kustvissers een kleuter uit de branding. Die blijkt de enige overlevende van een schipbreuk te zijn. De jongen, vermoedelijk een koningskind, brengt zijn jeugdjaren door in een klooster nabij Brugge. Dat ontvlucht hij om zijn familie terug te vinden. Onder de naam Madoc leidt hij een leven als ridder en vecht duels op leven en dood uit, een leven waarin liefde evengoed een hoofdrol speelt. Jarenlang is hij de rechterhand van de legendarische graaf Hincmar. In Parijs ontpopt hij zich tot agnost, vrijdenker en schrijver. Maar als de Inquisitie actief wordt krijgen de ketterjagers ook Madoc in het vizier. In 2015 ontdekt een Vlaamse mediëvist een verzamelhandschrift uit de dertiende eeuw. Hij raakt ervan overtuigd dat dit eigenhandig werd geschreven door Willem, dichter van het fameuze Van den Vos Reynaerde en het mysterieuze boek Madoc. Hoe houden deze teksten verband met het levensverhaal van de veelzijdige middeleeuwse schrijver? In een roman die tegelijk bloedstollend en intellectueel uitdagend is en waarin de Middeleeuwen in alle kleur oprijzen, speelt Nico Dros een vernuftig spel met de vermeende geschiedenis van de raadselachtigste middeleeuwer: Madoc.
Meer informatie
Auteur(s)Nico Dros
ISBN9789028223035
BindwijzeHardcover
Aantal pagina's592
Datum van verschijning20210402
NRC Recensie5 ballen
Breedte140 mm
Hoogte218 mm
Dikte43 mm
NRC boeken recensie

Een heerlijke Middeleeuwen-roman over een succesvolle selfmade man

Nico Dros In zijn nieuwe roman (●●●●●) weet Nico Dros als een Nederlandse Umberto Eco met veel toewijding en vertelplezier de donkere Middeleeuwen te verbeelden.

Het is een eeuwig raadsel: wie de auteur was van misschien wel de belangrijkste en bekendste ‘Nederlandse’ tekst uit de Middeleeuwen, het satirische dierenepos Van den vos Reynaerde. Ja, ene Willem. Hij stelt zich aan het begin van dat verhaal voor als ‘Willem die Madoc maakte’, om preciezer te zijn – en raadselachtiger. Madoc zou een andere tekst van hem zijn, maar daarvan is geen letter overgeleverd.

Een literair mysterie dus, een kwestie die menig boekwetenschapper al rode oortjes bezorgde. Met zulke opwinding begint ook de roman Willem die Madoc maakte van Nico Dros (1955). De Vlaamse mediëvist Willem de Reuvere komt een onbekend Middelnederlands manuscript op het spoor, waarin achter ‘het dekblad aan de binnenkant van het voorplat’ een setje fijn perkamenten bladen verstopt zit – in onontcijferbare afkortingen, ‘zogenaamd kortschrift’, weet de mediëvist. Het boek waar het stapeltje uit viel bevatte handschriften van de schrijver van Van den vos Reynaerde, dus zou het? Madoc, maar dan de ‘embryonale geheimversie’ ervan?

‘Ik bevond me in een semiotisch labyrint’, tja, goeie genade! Het is een heerlijk gezellig begin (archiefopwinding heeft iets oerbraafs, maar ook beslist iets smeuïgs), des te meer als de beste man vervolgens droomt over Madoc, dat volgens de overlevering een droomverhaal is. Terwijl hij verder fantaseert en zijn verbeelding de vrije loop laat, tuimelen wij na veertig bladzijden een raamvertelling in. In de Middeleeuwen, in Vlaanderen, waar een kind op het strand aanspoelt na een schipbreuk. Het leeft nog, lijkt van goede komaf en wordt ondergebracht in een klooster, waar hij de naam Beda krijgt, de taal leert en een redelijk onbezorgde jeugd heeft.

Adel en volk
Voor de lezer is het al even goedmoedig: die ziet monniken die ‘kalmpjes [liepen] te brevieren op de kruispaden in de grote boomgaard’, terwijl de jonge Beda zich afzijdig hield, hij ‘koesterde levensvreugd buiten het geloof om’, hij ‘stond open voor de mensen, voor dieren en planten, voor verhalen, kortom voor alles wat ondermaans en vergankelijk was’, bijvoorbeeld de kloosterbibliotheek, gevuld met literatuur uit de Klassieke Oudheid, die volgens zijn leermeester ‘als mest op de akkers der christenheid [is] en zorgt voor een ruimere oogst’.

Dros dist het smakelijk op. De formuleringen zijn duidelijk afkomstig van iemand die er lol in heeft, en met grote zorg en precisie zijn woorden kiest. Van onze mediëvist dus. Die trouwens niet kijkt op een historisch detail meer of minder, of nog een verwijzing naar een contemporain verhaal. We zijn in de Middeleeuwen en zullen dat weten ook.

Daardoor is Willem die Madoc maakte vermoedelijk niet een boek dat iederéén zal bekoren – of in ieder geval niet meteen. Met zijn onderdompelingstactiek past Dros een deurbeleid toe als van Umberto Eco: geleerd gedetailleerd, maar wie zich verdiept en zich vastbijt, wordt beloond. Een van de verheugendste dingen aan deze roman is dat hij almaar beter wordt. En die kennis van het verleden heeft ook grote voordelen. Die biedt het verhaal een plausibele bedding en levert een fijne wisselwerking daarmee op: alle middeleeuwse topen spelen een rol, van schijnheilige geestelijkheid tot inhalige adel en vermorzeld volk. Al die kennis zorgt er bovendien voor dat Dros een geloofwaardig hoofdpersonage heeft kunnen scheppen.

Inwijding
Als de inwijding van de volwassen wordende Beda tot monnik niet meer kan uitblijven, besluit hij, immers bijkans ongelovig, het klooster te verlaten, maar niet voordat hij heeft afgerekend met een vuilak die aan jongetjes zat – hij bindt hem vast en martelt hem. De braafheid is er dan wel af.

Onder de naam Madoc papt hij aan met een edelman, graaf Hincmar, van wie hij een vertrouweling wordt. Hij groeit uit tot een succesvolle selfmade man, verwant aan de kameleontische hoofdpersoon van Jan van Akens ook al zo heerlijke Middeleeuwen-roman De ommegang (2016). Met zijn schranderheid en retorische gave komt Madoc heel ver, zo ver dat hij de graaf indoctrineert met zijn hervormingsideeën voor een eerlijker pachtstelsel, ‘dat landlieden tegen afpersing en woeker beschermde en dat aan horigheid onder het landvolk voorgoed een einde zou maken’.

Taaie kost wordt dat niet, doordat Dros zo goed schrijft – er staat geen lelijke zin in deze roman – en zo smakelijk. Een huzarenstukje is de scène waarin graaf Hincmar een feestmaal aanricht om de hervorming van zijn pachtstelsel te presenteren. Rondom de genodigde vazallen posteert zich een ‘erewacht’ van ridders (als was het een maffiose knokploeg, geestig detail), hij geeft een retorisch perfecte toespraak die slinks op eerlijkheid en eergevoel inspeelt (een Reynaert waardig). En dan toont Dros hoe eventueel protest gesmoord wordt: er wordt een nieuw vat aangeslagen. ‘Daar zat een rode wijn in die van smaak doorleefd was en toch ook zonnig mocht heten, met een zweem van boomfruit en vanille, maar in de afdronk lekker strontig’ – een zin waar ik m’n pachtstelsel ook van zou hervormen.

De genius erachter is Madoc. Die groeit in de roman uit tot de grote hervormer, de goede held die, anders dan Reynaert, de arrogantie en de zelfingenomenheid van de macht niet met sluwheid bestrijdt, maar met eerbaarheid. Willem die Madoc maakte krijgt daarmee iets episch, pássend episch, al zijn de successen wel zo ingetoomd dat het geen hagiografie of schelmenroman wordt, een knappe balans. Nog knapper is dat Dros zijn held, die zich in weer een volgende gedaante van Madoc tot schrijver Willem ontwikkelt, aan de ene kant bijzonder en afwijkend genoeg maakt om hem geloofwaardig de eeuwigheid in te tillen (als schrijver van een onsterfelijk werk). Aan de andere kant blijft hij toch ook middeleeuws genoeg om te overtuigen als mens van zijn tijd, in een historische roman – dit is geen Kruistocht in spijkerbroek.

Ridderduel
En wordt het toch nog iets te episch (met een wel heel fortuinlijk ridderduel, of een net iets te toevallige ontmoeting met die ándere grootheid in de Middelnederlandse literatuur, de mystica Hadewijch), dan heeft Dros een troef te spelen: dan is zijn mediëvist even iets te enthousiast geweest. Dat vergeven we hem gemakkelijk. Want enthousiasme, toewijding, vertelplezier, het voelbare verlangen om met de verbeelding een donkere eeuw te belichten – dat zijn de machtige drijvende krachten achter Willem die Madoc maakte.

Maar de roman is meer dan hosanna, want Willems lange mars door de instituties is niet zaligmakend: de Middeleeuwen eindigden zoals bekend niet in Utopia. Naar het einde toe wordt de hoofdfiguur steeds menselijker, gevoeliger, tederder, en dan doet de invloed van de verteller zich minder gelden, alsof mediëvist Willem niet meer degene is die Madoc maakt, maar het verhaal zélf hem voortbrengt. Mooi is hoe die notie van een zich loszingende tekst van belang wordt in het verhaal, richting het einde van de roman. Willem wordt geïnspireerd tot het droomverhaal Madoc, een ‘dichtwerk van godendeemstering en menselijke herrijzenis’ (waaruit Dros nota bene overtuigende fragmenten ‘citeert’!) en dat wordt hem door de godvruchtige machthebbers niet in dank afgenomen. Maar, verdedigt hij zich: ‘Het is geen getuigenis in dichtvorm, geen dichtwerk waarin een overtuiging wordt uitgedrukt. Nee, het is een gedachteproef.’

Maar ook dat kan grote, ijzingwekkende gevolgen hebben. Daarmee gaat Willem die Madoc maakte ook over de vermogens van fictie: een verhaal dat een wereld vormt, die groter is dan de auteur, dat de onherroepelijk verdwenen geschiedenis levendig oproept, herschept. Nico Dros, die eerder zowel historische fictie als non-fictie schreef, laat zijn mediëvist overtuigd en overtuigend kiezen voor de fictie, een ‘kunstvorm van uiterste empathie’. Terecht, want Dros demonstreert zelf de kracht ervan: zoals T.H. White met koning Arthur deed en Hilary Mantel met Thomas Cromwell máákt hij de geschiedenis. De historische ‘Willem die Madoc maakte’ is na deze buitengewone, uitzonderlijke roman de man die Nico Dros hier schiep.

23-04-2021 Thomas de Veen

Back to top