De Stem

Jessica Durlacher
24,50
Op voorraad
SKU
9789029541930
Besproken in NRC
Bindwijze: BB
Levertijd 1-2 werkdagen Verzendkosten € 2,95
  • Gratis binnen 14 dagen te retourneren
  • Veilige en makkelijke betaalopties
  • Aangesloten bij Thuiswinkel Waarborg
  • Makkelijk bestellen zonder account
Afbeelding vergroten
Productomschrijving
De Stem speelt zich af tegen de achtergrond van de grote gebeurtenissen die dit millennium inluidden – een rijke roman met een stuwende kracht, over familie, loyaliteit, en het grote offer dat engagement van mensen vraagt.

Een vrome Somalische asielzoekster komt als oppas in dienst bij het gezin van Zelda en Bor, en ontpopt zich tot hun verbazing als een fenomenale zangeres. Haar naam is Amal. Ze is zo goed dat Zelda en Bor haar opgeven voor de populaire talentenshow De Stem. Tijdens haar spectaculaire eerste optreden verrast Amal het miljoenenpubliek met een dramatisch gebaar dat tot een vloedgolf van bedreigingen leidt. Het gezin voelt zich geroepen haar te beschermen en wordt zo meegesleurd in conflicten die hun veilige wereld voor altijd zullen veranderen.
Meer informatie
Auteur(s)Jessica Durlacher
ISBN9789029541930
BindwijzeBB
Aantal pagina's432
Datum van verschijning20210114
NRC Recensie1 bal
Breedte147 mm
Hoogte223 mm
Dikte41 mm
NRC boeken recensie

In haar nieuwe roman zoekt Jessica Durlacher de grenzen van het groteske

Jessica Durlacher Over een Nederlandse vrouw die haar gezin wil beschermen tegen islamitische terreur, lijkt Jessica Durlacher dubbelzinnig te schrijven in De Stem. Of is dat schijn?

Een van de meest omstreden thema’s in het politieke discours heeft nog geen overtuigende Nederlandse roman opgeleverd: de angst voor de islam. Hoe zou dat komen? Zou het te groot, te onspecifiek zijn, waar een roman altijd over individuen gaat? Een geëngageerde roman heeft personages nodig die het probleem aan den lijve ondervinden. Dan pakt islamvrees algauw uit als een symptoom van zelfverlies, ontsporing. Zoals de hoofdpersoon in Arnon Grunbergs Tirza het vriendje van zijn dochter aanzag voor 9/11-terrorist Mohammed Atta.

De Stem van Jessica Durlacher neemt de angst voor islamitische terreur vanaf de proloog letterlijk. Zelda en Bor Wagschal zijn met hun kinderen in New York, waar ze eindelijk de liefde gaan bezegelen met een huwelijk. Op het dakterras van een wolkenkrabber worden ze onder de choepa gezegend door de rabbijn, de bruidegom breekt een glas, maar op dat moment ramt het eerste vliegtuig het naastgelegen World Trade Center, met ‘een geluid als een kolossaal en donderend onweer, zo luid dat we het voelden in onze ingewanden’.

Het gezin blijft ongedeerd, maar hun vertrouwen in de wereld zijgt ineen: ‘De wereld die jij kent staat meteen paraat bij ongelukken, net zoals de wereld die jij kent altijd heeft gezegd: “Nooit meer Auschwitz”, tot kotsens toe hebben ze dat gezegd.’ Er valt iets op aan die zinnen: die je-vorm. De verteller, moeder Zelda, ‘weet’ kennelijk precies wat de aangesprokene, haar oudste zoon, op dat moment denkt. Dat wekt het wantrouwen van de lezer, die weet: ze projecteert haar eigen indrukken op hem.

De welwillende lezer kan daar een interessante literaire techniek in zien: zo krijgt deze vertelster iets onbetrouwbaars. Wat te koppelen valt aan het vliegtuiggeluid, waarvan zij ook al wist dat ‘we’ dat in ‘onze’ ingewanden voelden (alsof zij kan voelen wat iedereen voelt). Een sceptischer lezer zou er ook slodderige schrijftechniek in kunnen zien, in de je-vorm een foefje dat vooral sentiment oproept – er zijn meer stilistische twijfelgevallen in dat hoofdstuk.

Anne Frank
Dat zóú, denkt de welwillende lezer, allemaal de bedoeling kunnen zijn: onscherpe taal die weerspiegelt hoe matig Zelda ze op een rijtje heeft. Hoe zij, uit beschermingsdrang voor haar gezin, voortkomend uit een Joods trauma (‘Nooit meer Auschwitz’!), zich een vijandbeeld laat aanpraten. En zich dat in de rest van de roman laat aanleunen. Dan zou De Stem het verslag kunnen zijn van een waan.

Het gezin van Zelda en Bor komt, in de jaren na 9/11, in contact met een jonge Somalische asielzoekster, die ze aannemen als oppas. Amal blijkt geweldig te kunnen zingen, ze meldt zich aan voor een The Voice of Holland-achtige talentenshow en zingt daar iedereen in katzwijm. Niet iederéén, omdat ze niet alleen zingend indruk maakt, maar ook na afloop haar gewaad uittrekt, en er plots staat in strakke jurk en blootshoofds. Een geloofsval live op tv, een provocatie. De moslimgemeenschap keert zich meteen tegen haar, wat uitloopt op doodsbedreigingen en Amals noodgedwongen onderduik. Zelda en Bor zijn sinds 9/11 sterk geïnteresseerd geraakt in het gevaar van islamitisch terrorisme (Bor schreef een invloedrijk atheïstisch manifest), en stellen hun tuinhuis dan, halverwege de roman, open voor Amal, die Zelda in een bijzinnetje ‘onze nieuwe Anne Frank’ noemt.

Een Joodse vrouw die in haar ‘bevrijde’ wonderoppas een pendant van het beroemdste Holocaustslachtoffer ziet – werkelijk? Die vergelijking maakt duidelijk dat Durlacher (1961) het grote gebaar niet schuwt en niet bang is de grenzen van het groteske op te zoeken. Daar gaat het wringen, daar doemen de vragen op. Grensoverschrijdingen (zeg maar ongeloofwaardigheden) accepteerde ik, vanwege mijn welwillende vermoeden van gelaagdheid.

Ebbenhout
Die leeshouding wordt wel op de proef gesteld door de plot, waarin het vijandbeeld almaar groeit. Het ligt nog in de lijn met Zelda’s idee-fixe van bedreiging dat zij Amal aanvankelijk een ‘zwarte prinses’ noemt met een ‘huid zo zwart als ebbenhout, lippen zo rood als bloed’. Sprookjesachtig grotesk, flagrant oriëntalistisch – maar oké. Het is echter geen kwestie meer van begoocheling door vooroordelen dat vervolgens ieder personage in de roman met een buitenlandse achtergrond een bedreigende rol speelt. Ga maar na. De familieleden van Amal in Somalië zijn hardvochtig en boosaardig. Er is een lijntje over het vriendinnetje van Philip, de oudste zoon van het gezin: zij wordt plotseling verkracht, door een donkere jongen van half-Libanese komaf. Dat gaat niet over ingebeelde opvattingen, dat zijn keuzes van de auteur.

Alles is bedreigend, en alles wat bedreigend is, is de islam. Dat het op tv afwerpen van haar religieuze dracht als geloofwaardige gebeurtenis passeert (en niet als potsierlijk), tekent Durlachers eenduidige karakterisering van de islam. Bij geen van de personages kan de gedachte postvatten dat er meer in een religie (en dus in een hoofddoek) zou kunnen zitten dan onderdrukking en onverdraagzaamheid. Zij zijn geïnteresseerd in ‘dat we iemand konden helpen die nu nog gebukt ging onder de regels van een donkere dictatuur maar die straks, mede door ons toedoen, wakker zou worden, verlicht en rijp’ – de tegenstelling zegt alles. Er lijken in de wereld van De Stem geen moslims rond te lopen die niet haatdragend en fundamentalistisch zijn, maar ‘gewoon’ menselijk. De uitzondering: ex-moslim Amal, die op Ayaan Hirsi Ali-achtige wijze betoverend én vurig islamkritisch is.

Geen dubbele bodems dus. Durlacher wil in haar roman tonen hoe islamitische terreur het leven van een ‘gewoon’ Nederlands gezin ontwricht – met Amal in het tuinhuis staat de moslimterreur voor de deur. Aldus ontwikkelt De Stem zich tot een thrillerachtig verhaal dat beweegt van kwaad naar erger, wat nogal eenduidig uitpakt, saai haast, doordat de goeden en kwaden zo rigoureus van elkaar gescheiden zijn.

Ongeloof opschorten
Dan nog wil de romanlezer ook wat: die ontwrichting vóélen. Daarvoor is levendigheid nodig, iets wat je verleidt om erin mee te gaan, om het ongeloof op te schorten. Dat dat ontbreekt in De Stem is deels een kwestie van stijl. Durlacher vertelt liever dan dat ze iets toont, wat tot schrijftalige afstandelijkheid leidt, bijvoorbeeld: ‘[I]k deed mijn uiterste best om de hervonden intimiteit met de kleintjes te cultiveren.’ Metaforen voelen vaak gewrongen: zie migranten die ‘met de wortels van hun ziel in een rugzak leefden om die elders te zien verschrompelen en verdwijnen’. Talloos zijn de voorbeelden van krampachtigheid en kitsch, waarbij je als lezer aan de moeizaam schrijvende Durlacher zit te denken, in plaats van aan wat ze vertelt.

Nog erger is de ongeloofwaardigheid van de personages – niet alleen de moslims zet Durlacher simplistisch neer. Amal maakt na het uitkleedincident in één klap een karaktertransformatie door, van giechelige oppas naar vrijheidsstrijder. Zoon Sam is een wonderkind op de piano, die ‘Für Elise’ op gehoor naspeelt. Zelda zelf is psychoanalytica, wat ongeloofwaardig is doordat ze zich nooit bewust wordt van de (voor)oordelen waarin ze zelf gevangen zit. Het toppunt van de gemakzuchtige karaktertekening is de mededeling, terloops, dat het huwelijk van Zelda en Bor lijdt onder de terreurdreiging: ‘Er waren dingen in geslopen bij ons.’ Alsof het over kennissen van kennissen gaat, in plaats van over de hoofdpersonen. Laat die ‘dingen’ dan zien!

Tegen die tijd ben je als lezer het contact met de personages al verloren – passages waar Zelda aarzelt en reflecteert (moeten ze Amal wel helpen?) worden steeds geringer. Durlachers energie is duidelijk in de thrillerplot gaan zitten, in het bouwen naar de climax waarin de ontwrichting van het gezin compleet wordt. Daar gaat ze vol op het orgel en toch laten de knaleffecten je koud. Want in alle geweld, in al het rechtlijnige engagement, heeft Durlacher het belangrijkste veronachtzaamd: dat het over mensen moet gaan.

2021-02-05 Thomas de Veen

Back to top