Ja Nee

Tonnus Oosterhoff
18,99
Op voorraad
SKU
9789023454861
Besproken in NRC
Bindwijze: Paperback / softback
Voor 23:00 besteld, morgen in huis Verzendkosten € 2,95
  • Gratis binnen 14 dagen te retourneren
  • Veilige en makkelijke betaalopties
  • Aangesloten bij Thuiswinkel Waarborg
  • Makkelijk bestellen zonder account
Afbeelding vergroten
Productomschrijving
In zijn nieuwe dichtbundel Ja Nee ontrafelt Tonnus Oosterhoff de werkelijkheid, om de wereld vervolgens net weer even anders aan elkaar te stikken. In Oosterhoffs universum zijn twee fietsers God en Noodlot tegelijk en kun je katten niets leren maar alleen iets afleren.
Elk gedicht is een spel met taal, klank en realiteit, soms eenvoudig, dan weerbarstig en explosief. De dichter brengt je naar de hemel, en daarna mag je het zelf uitzoeken.
Na zijn bejubelde roman Op de rok van het universum geeft Tonnus Oosterhoff opnieuw blijk van zijn volstrekte oorspronkelijkheid als dichter, zoals hij die eerder liet zien in alom geprezen bundels als Ware grootte en Leegte lacht.
Meer informatie
Auteur(s)Tonnus Oosterhoff
ISBN9789023454861
BindwijzePaperback / softback
Aantal pagina's96
Datum van verschijning20170126
NRC Recensie3 ballen
Breedte150 mm
Hoogte200 mm
Dikte6 mm
NRC boeken recensie

Weerbarstig is de poëzie van Tonnus Oosterhoff al sinds zijn debuut Boerentijger (1990). Nog steeds vangt hij verschillende winden tegelijk in zijn zeilen en drijft hij af richting onbekend gebied. Ja Nee is de eerste poëziebundel sinds Oosterhoff (1953) in 2012 de P.C. Hooftprijs toegekend kreeg. Wederom is er genoeg anekdotiek die aan het begin van elke nieuwe regel een andere wending neemt:

Vroeger, in dienst, hebben zekere stropers

de truc geleerd om ’s nachts, in het donker,

een areaal te doen krimpen

tot de afmetingen van een weitas.

Oosterhoff heeft geen gewoon verhaal te vertellen. Nu eens blijft de afloop achterwege, dan weer knalt hij er flarden dialoog in die op het eerste gezicht kant noch wal raken. Altijd weet Oosterhoff de aandacht te vestigen op hoe (de taal van) de vertelling de werkelijkheid kneedt. Het vanzelfsprekende wordt vreemd, of het vreemde juist eigen: ‘Staar heeft de kijker, de denker loopt over./ Ik meende dat het aan mijn gehoor lag, maar dit bleek heel goed:/ de test wees uit dat ik mensen aan de andere kant van de wereld verstond.’

Ja Nee is zodoende in veel opzichten een logische voortzetting van wat hij begin jaren negentig startte. Zijn beproefde stijl en manier van werken worden zo enigszins voorspelbaar. Gelukkig is een handvol gedichten aan het einde van de bundel spannend en speels genoeg om de aandacht erbij te houden en zelfs hoopvol te zijn over het werk van Oosterhoff: wat hij doet, is geen truc.

Het minimale

Die gedichten liggen namelijk in het verlengde van de roman die tussen Oosterhoffs laureaat en deze bundel verscheen. In Op de rok van het universum onderzoekt Oosterhoff tot in het exuberante wat hij in zijn poëzie terugsnoeit tot het minimale. In plaats van cruciale elementen weg te nemen overlaadt Oosterhoff deze gedichten, net als de roman, met informatie:

Wie een rad voelt weet: er is meer, anders was hier geen rand

Patiënt slikte codes in, nu moeten de dokters wel zoeken

Solidair zijn kan alleen wie het lot van de ander niet kent

Stervensduur is de medicatie. Van de markt kom je niet af

UW CREATIEVE VERSPARTNERUW PARTNER IN TOEGANGSOPLOSSINGEN

Samen ondergaan we het wonder van niet eerder vertrapt worden

In dit gedicht dat tweeënhalve pagina lang is, worden de zinnen niet uitgesmeerd over diverse regels, maar begint met elke regel een nieuwe zin. Het effect daarvan is dat we niet met wankelende hinkstapsprongen door het gedicht gaan, maar aan het eind van elke regel frontaal op de volgende botsen. Dat komt doordat in elke zin een andere toon en functie zit. De eerste regel is enigszins filosofisch, de derde aforistisch en de vijfde sloganesk. Hier wordt de invloed van de dichter Jeroen Mettes (1978-2006) duidelijk met wie Oosterhoff zich afgelopen tijd en in zijn roman beziggehouden heeft. Mettes zette op eenzelfde wijze zinnen van diverse komaf achtereen en genereerde ook vibrerende contrasten.

Naar het slot van de bundel is het taal- en vertelspel van Oosterhoff bruusker, terwijl hij in de rest van de bundel discreter en subtieler te werk gaat, volgens het credo: ‘Het mag wel een tikje warmer abstracter; / het mag heel wat armer, maar warmer / dus beter.’ Armer of niet, in Ja Nee herbevestigt Oosterhoff de vitaliteit van zijn expressieve kracht.

Back to top