De straffeloze

Huub Beurskens
19,50
Op voorraad
SKU
9789492313904
Besproken in NRC
Bindwijze: Paperback / softback
Levertijd 1-2 werkdagen Verzendkosten € 2,95
  • Gratis binnen 14 dagen te retourneren
  • Veilige en makkelijke betaalopties
  • Aangesloten bij Thuiswinkel Waarborg
  • Makkelijk bestellen zonder account
Afbeelding vergroten
Productomschrijving
De eerste misdaad die in het Oude Testament door het allereerste mensenkind wordt begaan is de moord op het tweede mensenkind.

In de roman De straffeloze komt H tot het inzicht dat schuldig kunnen zijn de mens wezenlijk onderscheidt van het dier en dat het dragen van schuld hem dus pas werkelijk menselijk maakt.
Derhalve gaat hij op zoek naar schuld en straf.
Een volmaakte moord wil hij plegen.
In literatuur en speelfilms wordt onder een volmaakte moord steevast een moord verstaan die op zodanige wijze is voorbereid en uitgevoerd dat er geen dader te vinden is.
Voor H is de volmaakte moord die waarbij juist een schuldige bestaat zonder dat er ooit een slachtoffer bekend zal hoeven worden.
Meer informatie

NRC

NRC
Auteur(s)Huub Beurskens
ISBN9789492313904
BindwijzePaperback / softback
Aantal pagina's136
Datum van verschijning20200303

Boeken attributen

Boeken attributen
NRC Recensie3 ballen
Breedte125 mm
Hoogte201 mm
Dikte12 mm
NRC boeken recensie

Huub Beurskens In een korte roman probeert een man te onderzoeken hoe je ertoe komt geweld te gebruiken.

In een column voor deze krant, later opgenomen in de bundel Grunberg rond de wereld, bereidde Arnon Grunberg een moord voor. Hij stak een groot mes bij zich, sprak af met een markante dame die hij in het verleden schaaklessen had gegeven, wandelde ’s avonds in het invallende duister met haar langs een rivier, haalde het mes uit zijn zak en… overhandigde het haar bij wijze van cadeau. Dat hij echt iemand zou vermoorden, daar hoefde niemand zich ongerust over te maken, het was Grunberg slechts te doen geweest om de gedachte áán.

Huub Beurskens (1950) voegt zich met de korte roman De straffeloze in die traditie, in die lange rij verhalen, zowel fictief als reëel, waarin een man (altijd weer een man) de brug naar het geweld verkent of zelfs oversteekt. Heten ze geen Raskolnikov dan heten ze wel Travis Bickle, heten ze geen Mark Chapman, dan wel Anders Breivik.

Vaak hebben de mannen zich iets in hun hoofd gehaald om hun daad voor zichzelf of anderen te rechtvaardigen: Bickle (uit Taxi Driver) die zijn stad wilde zuiveren, Chapman die The Catcher in the Rye las naast het lijk van John Lennon, Breivik die een manifest naliet met de ridders die hij, de Don Quichot met een automatisch wapen, adoreerde. Ook Beurskens’ H., want zo heet zijn personage, heeft zijn geweldsfantasie met een theoretisch kader omlijst: als christelijk opgevoede jongen is hij gefascineerd geraakt door de erfzonde, de last die Adam en Eva ons met het plukken van een appel in de maag splitsten.

Schuldig zijn we en H. wil nu eindelijk wel eens, want erg jong is hij niet meer, aan de boetedoening toekomen. Geduld voor de hemel heeft hij niet, meer heil ziet hij in een arrestatie en berechting door de autoriteiten. In zijn etagewoning broedt hij op een plan om het allemaal zo vreedzaam mogelijk voor elkaar te krijgen. Want écht agressief is hij nu ook weer niet. Maar het arrestatieteam moest toch maar snel komen.

De straffeloze is een echte Beurskens: er wordt volop getheoretiseerd, het leunt op andere literaturen (naast de Bijbel komen ook Arendts ‘banaliteit van het kwaad’ en Nabokovs Lolita ruim aan bod), het is een demonstratie dat de verbeelding in zijn ogen nog altijd de beste motor is voor het schrijven van literatuur. Je wordt – en dat ontbreekt er nog wel eens aan in onze letteren – bij tijd en wijle flink aan het werk gezet om de raadsels van onze (geschreven) geschiedenis te ontwarren. En dat doe je mét de verteller, die zich bijvoorbeeld aanstekelijk buigt over wat de in Israël gedetineerde Eichmann zei nadat hij zich in zijn cel in twee dagen tijd door Lolita had heen geworsteld: ‘Das ist aber ein sehr unerfreuliches [onaangenaam, red.] Buch.’ Beurskens denkt zó actief door op die verbijsterende mededeling dat je zin krijgt in een essaybundel van zijn hand.

Waarmee we ook meteen zijn aanbeland bij de mindere kant van deze roman, of misschien wel van de methode-Beurskens in z’n algemeenheid: het is allemaal wat steriel. Ik doe hiermee niet zozeer mijn beklag over mijn gebrek aan tranen (alhoewel hij me rond pagina 110 toch even te pakken had), maar over de onwil van een schrijver om zijn personage serieus te nemen. H., zoveel is wel duidelijk, lijdt als een malle, maar Beurskens bedient zich in de omgang met die man veelal van een hortende, omslachtige stijl, doorspekt met archaïsmen. ‘Stel anderzijds dat hij destijds blozend zijn vergrijp had willen aangeven bij justitie.’ ‘Onverhoeds’ en ‘edoch’. ‘Op slag verandert de baliemedewerkster van schoonheid noch vriendelijkheid, maar van kleur.’ Om het bij die laatste zin te houden: er is niemand, in de tekst of daarbuiten, die zich afvraagt of die vrouw achter de balie opeens lelijker of onaardiger is geworden. Stijllozer was deze roman kortom beter geweest.

Back to top