De wraak van Diponegoro

Martin Bossenbroek
39,99
Op voorraad
SKU
9789025301514
Besproken in NRC
Bindwijze: Hardcover
Levertijd 1-2 werkdagen Verzendkosten € 2,95
  • Gratis binnen 14 dagen te retourneren
  • Veilige en makkelijke betaalopties
  • Aangesloten bij Thuiswinkel Waarborg
  • Makkelijk bestellen zonder account
Afbeelding vergroten
Productomschrijving
In De wraak van Diponegoro vertelt Martin Bossenbroek het grote verhaal van het gewelddadige begin én einde van Nederlands-Indië, zoals dat werd beleefd door de hoofdrolspelers in beide kampen. In het eerste deel, handelend over de Java-oorlog (1825-1830), legt de mystieke prins Diponegoro het na jaren van massaal en fanatiek verzet af tegen de flegmatieke legercommandant Hendrik de Kock. In het tweede deel, over de dekolonisatieoorlog (1945-1949), bundelt de charismatische, door Diponegoro geïnspireerde nationalistische leider Soekarno met succes alle krachten tegen ‘de laatste landvoogd’, de noeste dromer Huib van Mook.
De wraak van Diponegoro is een magistraal epos in twee bedrijven over de bloedstollende krachtmeting tussen tijger (Nederland) en buffel (Indonesië).
Meer informatie
Auteur(s)Martin Bossenbroek
ISBN9789025301514
BindwijzeHardcover
Aantal pagina's800
Datum van verschijning20201110
NRC Recensie4 ballen
Breedte149 mm
Hoogte223 mm
Dikte57 mm
NRC boeken recensie

Een indrukwekkend boek over Indië door de ogen van winnaars en verliezers

Indonesië Aan de hand van vier hoofdpersonen bedrijft Martin Bossenbroek een nieuwe vorm van geschiedschrijving over de dekolonisatie van Nederlands-Indië.

Soetan Sjahrir, voorvechter van een onafhankelijk Indonesië, blijkt een onvermoede kant te hebben. Sinds 1936 leeft hij als balling op Banda-Neira, het hoofdeiland van de Zuid-Molukken. Zijn echtgenote, de Nederlandse Maria Duchâteau, krijgt geen toestemming van de autoriteiten om zich bij hem te voegen. Toch vormt Sjahrir een gezin, met vier pleegkinderen (twee jongens en twee meisjes). ‘Hij schrok nergens voor terug’, schrijft historicus Martin Bossenbroek, ‘hij kocht rustig modebladen om op een gehuurde Singer-naaimachine jurkjes voor Lily en Mimi te kunnen stikken.’

De ene revolutionair stikt jurkjes. De andere (Soekarno) staat erop dat zijn twee teckels meegaan als hij in januari 1942 overhaast naar een nieuw ballingsoord moet vertrekken, omdat de Japanners oprukken in Nederlands-Indië. In De wraak van Diponegoro maakt Martin Bossenbroek echte mensen van historische figuren.

Opnieuw heeft de historicus, die eerder lof kreeg voor zijn werk over de Tweede Wereldoorlog (De Meelstreep) en de Boerenoorlog (dat gewoon De Boeren Oorlog heet) een indrukwekkend boek geschreven. En dat komt niet alleen door de omvang van 800 bladzijden.

Dat hij nu over Indonesië schrijft, is geen uitvloeisel van ‘emotionele verbondenheid, morele verontwaardiging of zintuigelijke sensatie’, verklaart hij in zijn proloog. ‘Ook heb ik geen dierbare dan wel benauwende Indische familiegeschiedenis. Bij mij op zolder verstoft geen “grote grijze hutkoffer”. Op de overloop staan geen “zeven witte dozen” in de weg.’

Bossenbroek onderscheidt vier ‘Indische sporen’ in de Nederlandse samenleving: slachtofferschap, daderschap, nalatenschap en wetenschap. Hij kiest onomwonden voor het laatste. Ouderwetse geschiedschrijving dus? Niet helemaal. De wraak van Diponegoro is wel degelijk vernieuwend. Dat zit hem vooral in de voortdurende perspectiefwisselingen die het boek kenmerken. Bossenbroek vertelt zijn verhaal aan de hand van vier hoofdpersonen, de belangrijkste winnaars en verliezers van de Java-oorlog (1825-1830) en van de dekolonisatie-oorlog (1945-1949). Hij behandelt dus niet de hele geschiedenis van Indië, maar beperkt zich tot twee sleutel-episodes: het begin en het einde van de kolonisatie op grote schaal.

Zoon van een patriot
Het verhaal begint in 1806 in New York, als Hendrik Merkus de Kock op het punt staat voor het eerst naar Indië te reizen. De Kock, de zesentwintigjarige zoon van een patriot, is benoemd tot ‘equipagemeester van ’s lands zeemagt in Asia’. Dat betekent dat hij verantwoordelijk is voor de bouw, reparatie en uitrusting van alle marineschepen ten oosten van Kaap de Goede Hoop.

Maar De Kock twijfelt. In New York bereikt hem het bericht dat Napoleon zijn jongere broer Lodewijk heeft benoemd tot koning. De twee hoge bestuurders die hij begeleidt, worden teruggeroepen.

De Kock besluit in z’n eentje verder te reizen. Na vijf maanden bereikt hij Java. ‘Vanuit zee zag het er indrukwekkend uit’, schrijft Bossenbroek. ‘Eén woord overheerste. Groen. Oogverblindend overdonderend betoverend groen.’

De gok van De Kock pakt goed uit. Hij klimt uiteindelijk op tot legercommandant en plaatsvervangend gouverneur.

Wie ondertussen ook opklimt is Diponegoro in Yogyakarta. Sultan Ngabdoelkamid noemt hij zich en in 1825 begint hij een heilige oorlog tegen de Hollanders. Na een aantal keren ternauwernood te zijn ontsnapt wordt hij tijdens een gevecht in zijn borst getroffen. Zijn witte gewaad is rood doorbloed.

Dan volgt een passage die kenmerkend is voor De wraak van Diponegoro.

‘Pijn deed het niet. Nooit echt gedaan. Het had gevoeld alsof iemand hem met de vlakke hand op zijn borst sloeg, dat was alles. Het had wel flink gebloed, maar de kogel was afgeketst op een rib. Een andere kogel had zijn rechterhand geraakt, maar die was al vóór de inslag uiteengespat. Hij had alleen de scherven eruit hoeven halen. Een paar maanden later zag je er al vrijwel niets meer van.’

Dit doet Bossenbroek vaker: hij vertelt hoe een hoofdpersoon zich heeft gevoeld en laat de lezer door diens ogen kijken. Bossenbroek beweegt zich hiermee in een lange traditie in de geschiedwetenschap. Soms lijkt hij langs de grens van het voor de moderne historicus toelaatbare te scheren, soms, zoals hierboven, denk je: is dit niet óver die grens? Maar het resultaat is geloofwaardig en steeds spannend.

Celebes
Als het in 1830 eindelijk komt tot een ontmoeting tussen Diponegoro en De Kock, krijgt de lezer een blik in het hoofd van de Hollander. ‘De Kock had er goed over nagedacht’, schrijft Bossenbroek. ‘Zijn eerste woorden moesten meteen veelzeggend zijn. Bij Javanen luisterde dat nauw.’

De Kock heet Diponegoro welkom nadat hij van zijn paard is gestapt. Voor iedereen goed verstaanbaar zegt hij: ‘Pangeran Diponegoro.’ Pangeran is een adellijke titel. Waar het om gaat: De Kock noemt Diponegoro géén sultan.

‘Even leek de aangesprokene te verstrakken, verder reageerde hij niet. Hij ging op de aangewezen plek zitten, links van De Kock. Van zijn scherp gesneden gelaat viel niets af te lezen. Ook De Kock liet niets merken, maar inwendig juichte hij. Gelukt! De boodschap was luid, duidelijk en publiekelijk overgebracht. Hij was bereid over alles te praten, maar níét over de sultanstitel en daaruit voortvloeiende aanspraken. Door niet meteen weg te lopen, accepteerde Diponegoro dat impliciet als een voldongen feit.’

Maar onderhandelingen met Diponegoro lopen uiteindelijk op niets uit. De Kock laat hem gevangen nemen. Daarmee heeft de Java-oorlog een winnaar en een verliezer.

Als Diponegoro jaren later in ballingschap op Celebes overlijdt, is dat in Nederlandse kranten niet meer dan een klein bericht. Maar op Java is de herinnering aan de ‘heroïsche verzetsstrijder’ begin twintigste eeuw nog ‘springlevend’, schrijft Bossenbroek. Ook Soekarno is een bewonderaar.

Soekarno is één van de twee hoofdpersonen in deel twee van Bossenbroeks boek, dat gaat over de dekolonisatie-oorlog. De andere is bestuurder Huib van Mook.

Affaire met secretaresse
Anders dan je misschien zou denken in een oorlog zijn er in dit verhaal niet alleen good guys en bad guys. Van Mook lijkt zich aanvankelijk aan de goede kant van de geschiedenis te bevinden. In 1915 begint hij aan zijn opleiding tot Indisch ambtenaar in Leiden, waar hij bevlogen spreekt over de zegeningen van de ethische politiek. Op een congres met Indische studenten zegt hij dat het zaak is de bevolking van de archipel geleidelijk aan te laten meeregeren. ‘Stap voor stap, eerst lokaal, dan op regionaal niveau, totdat de hele bevolking “rijp” zou zijn voor nationaal zelfbestuur en uiteindelijk onafhankelijkheid.’ Maar als het conflict tot een climax komt in 1947 staat Van Mook als bevelhebber ‘steeds minder afwijzend’ tegenover ‘het gebruik van militaire machtsmiddelen’.

Het verhaal van de dekolonisatie is genoegzaam bekend: Nederland bevond zich duidelijk aan de verkeerde kant van de geschiedenis, Van Mook was uiteindelijk de verliezer van de dekolonisatie-oorlog. Maar door de manier waarop Bossenbroek het verhaal vertelt, komt het fris over. Je zou met gemak een aantal mini-biografieën kunnen destilleren uit zijn boek. Hij richt zich op de politieke hoofdrolspelers, maar toont die van alle kanten, als mensen van vlees en bloed, met sterke en met zwakke kanten.

Zo besteedt hij ruim aandacht aan het privé-leven van Van Mook. Hoewel getrouwd, legt die het tot drie keer toe aan met zijn secretaresse. De bestuurder moet zich daar wel schuldig over hebben gevoeld, schrijft Bossenbroek. Zijn echtgenote is in Indië geïnterneerd als Van Mook met één van die secretaresses in Londen zit. Van Mook is er getuige van dat de Britse hoofdstad wordt bestookt met Duitse V1’s. ‘Af en toe hoopte hij bijna dat hij zo’n bom op zijn hoofd kreeg.’

Haatzaaien
Met hetzelfde gemak verplaatst Bossenbroek zich in Soekarno, de latere president (en dus winnaar van de dekolonisatie-oorlog). In 1930 zit hij in een gevangenis in Bandoeng, hij wordt onder meer vervolgd wegens haatzaaien en verstoring van de openbare orde.

En dan volgt weer zo’n typisch Bossenbroekse beschrijving.

‘Soekarno had altijd geroepen dat hij nergens bang voor was, maar toen de zware ijzeren deur achter hem dichtsloeg, kromp zijn hart ineen. Zijn cel was hooguit tweeënhalf bij anderhalf, met alleen een veldbed en een emmer erin. Een “donker, vochtig en benauwd” hok. In gedachten had hij het zich vaak genoeg voorgesteld, maar nooit zo ontluisterend. Het voelde als een graf. Hij werd gek, hij ging dood.’

Begrijpelijk dat Soekarno zich ontvankelijk toont als de Japanners hem steun beloven voor zijn streven naar onafhankelijkheid van Indonesië.

Bossenbroek maakt ook nog ruimte voor een aantal bijrollen. Zo volgen we de twintigjarige fusilier Dorus Poland, die eerst naar Waterloo moet voordat hij naar Indië kan vertrekken. Schrijver Edgar du Perron, die gaat kijken of het beroemde ravijn uit Multatuli’s Max Havelaar écht bestaat. En Soekarno’s mederevolutionairen Hatta en Sjahrir.

Trauma
Aan de vele slachtoffers van de twee behandelde oorlogen besteedt Bossenbroek weinig woorden. Het blijft bij een enkele passage, bijvoorbeeld over de ‘vechtersbazen’ van Westerling die ‘heel erg over de schreef gegaan’ zijn op Zuid-Celebes.

Wie de aantallen slachtoffers op zich in laat werken, verbaast zich erover dat Indië geen groot collectief trauma is. Tijdens de verschillende gewelddadige confrontaties vielen ‘vele honderdduizenden doden’, vooral aan kant van de Indonesiërs. Misschien is het omdat, zoals Bossenbroek in zijn proloog schrijft, ‘de blik van de meeste Indonesiërs is gericht op het heden, of de toekomst, niet op het verleden’.

Het is een bewuste keuze dit boek niet te laten gaan over slachtofferschap. Wie daar behoefte aan heeft komt ongetwijfeld aan zijn trekken als het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde (KITLV), het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) en het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies volgend jaar de resultaten presenteren van een diepgravend onderzoek naar de dekolonisatie-oorlog. Of eerder misschien al, want over twee weken verschijnt Revolusi, het boek waarvoor de Vlaamse schrijver David Van Reybrouck in vijf jaar tijd bijna tweehonderd getuigen van de onafhankelijkheidsstrijd interviewde.

2020-11-13 Jeroen van der Kris

Back to top