Toen ik klein was, was ik niet bang

Gershwin Bonevacia
19,99
Op voorraad
SKU
9789493168329
Besproken in NRC
Bindwijze: Paperback / softback
Voor 23:00 besteld, morgen in huis Verzendkosten € 2,95
  • Gratis binnen 14 dagen te retourneren
  • Veilige en makkelijke betaalopties
  • Aangesloten bij Thuiswinkel Waarborg
  • Makkelijk bestellen zonder account
Afbeelding vergroten
Meer informatie
Auteur(s)Gershwin Bonevacia
ISBN9789493168329
BindwijzePaperback / softback
Datum van verschijning20200408
NRC Recensie3 ballen
Breedte136 mm
Hoogte211 mm
Dikte10 mm
NRC boeken recensie

Het ergste: dat jij je eigen achternaam verkeerd spelt

Gershwin Bonevacia De stadsdichter van Amsterdam weet hoe je taal kan laten zinderen. Hij spreekt zichzelf moed in als het kind dat hij ooit was.

Kun je spreken met het kind dat je ooit was? Gershwin Bonevacia (1992), stadsdichter van Amsterdam en spokenwordartiest, verhoudt zich in zijn tweede bundel tot Gush, het tienjarige kind in hem. Dit contact verloopt niet altijd soepel, maar behalve een portret van de dichter ontstaat er een beeld van een jongen die opgroeit met weinig zekerheden, in een stadsdeel van Rotterdam waar ‘goede en slechte kinderen’ op school zitten en ‘de stoerste jongens op straat’ de dienst uitmaken.

Op een paar uitzonderingen na, wanneer een gedicht bijvoorbeeld de vorm heeft van een lijst, bestaat elk gedicht uit een enkele zin die, haast treiterig netjes, eindigt met een punt. De gedichten beginnen alleen met een hoofdletter wanneer de naam van Gush wordt aangeroepen, waarmee zijn belang meteen duidelijk is.

De aanspreekvorm wordt soms binnen het gedicht herhaald, alsof de aandacht van het kind erbij moet worden gehouden.

Gush, het allerergste wat je gaat overkomen
is dat je je achternaam niet durft te schrijven
dat jij je eigen achternaam verkeerd spelt

Gush, het pijnlijkste wat je overkomt
is voorlezen
je gaat dingen verzinnen
ter plekke
terwijl iedereen meeleest
je steeds zachter begint te praten

De paniek van de dyslectische schooljongen en hoe hij daar mee omgaat, wordt niet invoelbaar gemaakt of getoond, maar uitgelegd. In die zin is Bonevacia eerder een verteller dan een dichter die alle trucjes uit de kast haalt om de taal zelf te laten zinderen. Toch heeft de haast brokkelige vertelvorm een poëticale kracht. Met herhalingen van zinsneden, een zichtbaar verlangen om iets duidelijk te zeggen, is het alsof de dichter per lettergreep moed verzamelt om zich uit te drukken. Elk woord telt:

Gush, de meeste dyslecten
groeien zwak maar mooi
leren om bang en trots te zijn
leren dingen verzinnen ter plekke.

Creativiteit, zo blijkt, kan uit nood zijn geboren. Ontroerend is daarbij de rol die de dichter als volwassene op zich neemt om het kind moed in te spreken. Hij is te laat natuurlijk, het kind heeft dit allemaal alleen moeten doormaken. De dichter is een beschermengel op sloffen.

In andere gevallen, zoals in ‘In de speeltuin’, heeft die geruststellende rol een gespannen uitwerking en is de raadgever eerder sarcastisch dan lankmoedig:

Gush, op een dag zit je op een schommel
iemand noemt jou een kankerneger
vecht niet
hij bedoelde het niet zo
het was maar een grapje.

In ‘Beijerlandselaan’ laat Bonevacia de aanspreekvorm en de gebruikelijke regelafbreking varen. Mogelijk is het onderwerp te beladen om met een kind te bespreken, te zwaar om nog aan vorm te denken: ‘veel dingen ben ik vergeten, alle keren dat ik slachtoffer was / het brandende gevoel van te lang ingetrokken S-Curl-relaxer / de bleaching cream die we kochten in de Congolese toko / habri bo koló zei mijn moeder/ je bent te zwart / we hebben verder een goede relatie’.

Kun je vertellen over wat je bent vergeten? Of bedoelt de dichter dat hij zou willen vergeten dat zijn moeder hem verweet te zwart te zijn, dat zijn haar steiler gemaakt moest worden, zijn huid lichter – met gevaar voor verwonding? Het drama sluipt, zoals wel vaker bij Bonevacia, onderhuids door, in de slotregel we hebben verder een goede relatie. Deze regel suggereert dat Gershwin zijn moeder niet kwalijk neemt of kan nemen wat zij nastreeft – hoe grievend ook.

Het kan overbodig aandoen dat de volwassen dichter het kind vertelt wat hij zich allemaal herinnert: dit is tenslotte de directe leefwereld van Gush. Als lezer kun je denken: dat weet Gush allemaal wel (‘Gush, op zondagen train je jouw linkerbeen / tegen de garage in de Taselaarstraat’), dat hoef je hem niet te vertellen. Maar het is ook niet kloppend of correct wat Bonevacia beoogt: hij spreekt over zichzelf via het veronderstelde kind. Wanneer hij herinneringen opsomt die voor het kind gesneden koek zouden zijn, laat hij zien dat hij zoekt en moet wroeten om grip te krijgen op wat hem heeft gevormd. Dat het kind niet meer bestaat.

In ‘Zelf’ wordt het bestaan van Gush door Bonevacia bevraagd – ijzingwekkend genoeg door de vraag bij Gush neer te leggen:

Gush, heb ik je een verkeerde naam
gegeven
het spijt me
misschien schieten wij elkaar ooit nog te
binnen
tot die tijd
laten we zingen.

Gush bestaat misschien niet meer als kind, maar in deze gedichten is hij vereeuwigd als jongen van vlees en bloed. Gush staat voor iedereen die – dwars tegen alle vooroordelen en onzekerheden in – een eigen pad bewandelt. En zingt.

17-09-2021 Maria Barnas

Back to top