Een postuum eerbetoon aan de zwijgende held van hotel Des Indes in oorlogstijd
Casper Postmaa haalde de Duitse directeur van hotel Des Indes uit de vergetelheid, die tijdens de Tweede Wereldoorlog slijmde met de bezetter maar ondertussen tientallen Joden en niet-Joden het leven redde.
Het deftige Haagse hotel Des Indes is een begrip in Nederland, alleen al omdat de groten der aarde er logeerden. Dat het in de Tweede Wereldoorlog onderkomen bood aan de top van de Wehrmacht is een minder bekend hoofdstuk uit de geschiedenis. Dat het in diezelfde tijd tientallen Joodse onderduikers in zijn kelders huisvestte en het een centrum was van verzetsactiviteiten, wist voor de verschijning van De dag dat de duivel naar Des Indes kwam bijna niemand. Het boek van de voormalige Haagsche Courant-redacteur Casper Postmaa is dan ook een welkome aanvulling op de mistige oorlogsgeschiedenis van de hofstad, waar goed en fout dwars door elkaar heen liepen en het wemelde van spionnen uit beide kampen.
Het verhaal dat Postmaa vertelt, draait in hoofdzaak om de lotgevallen van de Duitser Sepp Thum, die in de oorlog als door de Duitsers aangestelde Verwalter Des Indes leidde. Tegelijkertijd is zijn boek een sociale geschiedenis van de Haagse elite, waarin menige excentriekeling, oplichter, spion, onderduiker of mislukte bankier voorbijkomt. Soms is het zelfs alsof de wereld van Louis Couperus nog altijd bestaat.
Postmaa kwam op het idee voor zijn boek toen hij ontdekte dat in zijn huis in het Haagse Nassaukwartier diezelfde Sepp Thum bleek te hebben gewoond. Door zo’n samenloop van omstandigheden werd het leven van de journalist ineens met dat van de hotelbaas verweven. En dat smeekte om een verhaal dat verteld moest worden.
De dag dat de duivel naar Des Indes kwam begint met de aankoopgeschiedenis van Postmaa’s huis in de Nassau Ouwerkerkstraat. De bejaarde weduwe van wie hij het kocht, de vervallen staat waarin het verkeerde, de erfenis van zijn schoonouders waarmee hij het betaalde, de Duitse buren die hij in zijn straat ontdekte, allemaal worden die personen en gebeurtenissen uitvoerig beschreven.
Een goede Duitser
Sepp Thum (1907-1985) was een ‘goede’ Duitser. Opgegroeid in een arm Beiers gezin in Augsburg was hij in 1926 naar Nederland gekomen om zich als volontair bij Des Indes te melden. Hij maakte gestaag carrière en toen in 1940 de Duitsers Nederland binnenvielen en de hoteldirectie naar Engeland vluchtte, werd hij door de bezettingsautoriteiten aangesteld als Verwalter, terwijl hij een felle anti-nazi was en zich na al die jaren in Den Haag meer Nederlander dan Duitser voelde
Zijn clientèle van de Wehrmacht en SS onthaalde hij, professioneel als hij was, met alle eerbetoon. Die nederige, dienende houding vormde een perfecte dekmantel voor zijn verzetsactiviteiten. In de kelders van het hotel en in het huis in de Balistraat, dat Thum na 1944 betrok, hield hij tientallen Joodse en niet-Joodse onderduikers verborgen, onder wie kopstukken uit het bedrijfsleven. Onder zijn personeel zaten tal van mannen die hij probeerde te vrijwaren van dwangarbeid in Duitsland. Ook stopte hij burgers illegaal voedsel toe en deelde hij geld uit aan wie het nodig had.
Na de bevrijding in 1945 werd Thum als Duitser en Verwalter meteen gearresteerd. Zijn bezittingen werden in beslag genomen. Maar door de vele getuigenverklaringen van de mensen die hun leven aan hem dankten kwam hij algauw vrij. Thum was door zijn ervaringen inmiddels dubbel getraumatiseerd. In de nadagen van de oorlog was hij, na te zijn verraden, door de Duitsers gearresteerd op verdenking van spionage voor de geallieerden. In kamp Amersfoort, waar hij een week gevangen zat, werd hij zo gemarteld dat hij de rest van zijn leven mank liep en hij zijn vingers niet meer goed kon gebruiken. Maar hij liet niets los en ontkende alles, ook dat zijn vrouw een Jodin was.
Dat zijn onderduikers aan arrestatie wisten te ontkomen, was te danken aan de in de boektitel genoemde ‘duivel’, Josef Jacobs. Deze hoog gedecoreerde Duitse oud-oorlogsvlieger uit de Eerste Wereldoorlog was als Verwalter bij Shell aangesteld en waarschuwde Thum telkens wanneer er gevaar dreigde. Ondanks dat Jacobs anti-nazi was, beschikte hij over contacten in de hoogste gelederen van de bezettingsautoriteiten en wist hij precies wat die van plan waren. Om zich belangrijker te maken dan hij was, schepte hij op over zijn vriendschap met top-nazi Hermann Göring, die hij in werkelijkheid haatte. Maar uiteindelijk kwam de Gestapo hem op het spoor en nam hij de benen naar Duitsland om er in de chaos van de nadagen van de oorlog te verdwijnen en daarmee aan de klauwen van de Gestapo te ontkomen.
Mimegebaren
Als Postmaa Thum in 1985 vraagt of het klopt dat er minstens twintig onderduikers in Des Indes verborgen zaten die het ook nog eens allen hebben overleefd, ontwijkt hij een antwoord. Hoogstens maakt hij een paar bevestigende mimegebaren. Uit bescheidenheid of discretie, wie zal het zeggen. Maar het maakt van Thum wel een bijzonder mens.
Ontroerend wordt de door Postmaa vertelde geschiedenis zelfs als het tragische lot van Thums Joodse vriendin Irène Donáth aan de orde komt. Van 1938 tot aan haar zelfmoord in 1948 leefde Thum met haar samen, na de bevrijding als getrouwd stel. En ook haar heeft hij gered, doordat zij zich tijdens de oorlog kon uitgeven voor Thums katholieke echtgenote. Hierdoor kon zij, anders dan haar ex-man Mottel Friedmann en zoon Ernst, aan de gaskamer ontkomen. Wel werd Irène in 1944 door de Gestapo als Jodin gearresteerd, nadat een hotelgast de Duitsers daarop gewezen had, maar ze wist toen duidelijk te maken dat ze alleen maar met een Joodse man getrouwd was geweest.
Net als Thum werd ook Irène na de bevrijding door de Nederlandse autoriteiten gearresteerd en kortstondig vastgehouden. Het gruwelijke lot van haar ex-man en zoon, dat ze pas in 1945 vernam, had haar toen al zo kapotgemaakt dat ze zich drie jaar later van het leven beroofde.
Deze tragiek is precies wat Postmaa in zijn boek wil laten zien. Want ondanks hun verzetsdaden kreeg het echtpaar Thum van Nederlandse zijde nooit enige erkenning voor hun verzetsdaden. Sterker nog, Thum werd nog tot in de jaren vijftig door de BVD geschaduwd en als een potentieel gevaar gezien.
De les die je uit dit heerlijke, soms intieme boek kunt trekken is dat echte helden hun grootse daden zwijgend mee in hun graf dragen. Ook Postmaa wist ze niet aan Thum zelf te ontfutselen. Hij moest het doen met de ooggetuigenissen van anderen. Die puzzel heeft hij op een voorbeeldige manier voltooid. Zijn boek is daarmee een eerbetoon aan een goede Duitser, die door een listig dubbelspel tientallen mensen het leven heeft gered.
Na de oorlog zocht Thum zijn toevlucht in de sterke drank. Dat hij een maand na sluiting van zijn restaurant overleed, wordt er des te begrijpelijker door.
€ 22,99
Vanaf
Onze prijs
Adviesprijs aanbieder
Levertijd 1-2 werkdagenGratis thuisbezorgd
Omschrijving
Als journalist Casper Postmaa zich verdiept in de geschiedenis van zijn eigen huis in het Haagse Nassaukwartier, doemt er uit de archieven een bonte stoet van voormalige bewoners op – rijke weduwen, bankiers, dienstmeisjes, studenten en kunstenaars. Eén naam trekt onmiddellijk zijn aandacht: die van de Duitser Joseph Thum.
Thum was tijdens de Tweede Wereldoorlog directeur van het fameuze hotel Des Indes aan het Lange Voorhout, en van 1953 tot 1985 dreef hij het ernaast gelegen chique restaurant Royal, waar tal van ministers regelmatige bezoekers waren. Toen het restaurant met sluiting werd bedreigd, had Postmaa Thum voor de krant geïnterviewd. Een kleine man was het, die in het voorjaar van 1945 zo zwaar gemarteld was dat hij zich moeizaam voortbewoog en alleen nog kon schrijven door zijn pen in zijn vuist te klemmen.
Postmaa raakt geïntrigeerd door het verhaal van de Duitser, die in de loop van de bezetting zoveel nazi’s in Des Indes ontving dat het de bijnaam ‘Wehrmacht Hotel’ kreeg – maar die met gevaar voor eigen leven (en dat van zijn joodse vriendin) ook talloze onderduikers verborgen hield in de kelder en de liftschacht van het monumentale hotelpand. Thum kreeg daarbij hulp van een geheimzinnige bondgenoot, een man die ‘de zwarte duivel’ werd genoemd. Een man larger than life: ongrijpbaar, antinazistisch en toch beschermd door de duisterste figuren uit het nazirijk. Hij behoedde de directeur en zijn onderduikers voor het noodlot – en verdween daarna in de plooien van de geschiedenis. Postmaa besluit naar hem op zoek te gaan.