De verbindingen
De dienstplicht – boven dat onderwerp zijn in de wereld van vandaag weer zulke donkere wolken komen te hangen dat je er allerminst de frisse, vrolijke roman bij zou verwachten die De verbindingen van Philip Snijder wel degelijk is. Hier geen oprukkend neofascisme of autoritarisme, geen vraagstukken over defensiebudgetten en opofferingsgezindheid, geen frontlinies; het gaat hier gewoon nog over de veertien maanden die je ooit, we schrijven 1977, moest ‘opkomen’, als je pech had.
Ach ja! In de praktijk bestond die diensttijd, zo schetst deze roman, vooral uit rondhangen op de basis, met militaire plichtplegingen als wacht staan, rondes lopen, inspecties en exercities, appèls en aardappels, die voor de hele compagnie gepit moeten worden. Het enige wat hier dodelijk was, was de verveling. En om die te bestrijden werd er gegeind en gelanterfant – je kon het een guitige kwajongenssfeer noemen, als je tenminste geluk had. Bijvoorbeeld: degene die ’s avonds bij alle wachttorentjes kwam controleren of de telefoons nog werken en die zijn komst door het donker luidkeels aankondigde, werd dan steeds niet verstaan, zogenaamd, waarop de wachters hun wapens richtten, het gebrul nóg niet hoorden, doorlaadden, klikklik: „Gevolgd, een paar seconden later, door een gierende lach en: ‘Hé, stekker, lul, je scheet in je broek, hè?’”
De ‘stekker’, dat is de radiotelefonist, geen doodgewone soldaat dus, maar degene die de taak heeft te zorgen voor ‘de verbindingen’. Oftewel, tja: via de radioverbinding zeggen dat ze er zijn, aan het begin en het einde van de wachtdienst. In deze zesde roman van Philip Snijder (1956) is hij de (naamloze) verteller – en dat is allemaal heel toepasselijk. Hij is in het dagelijkse Amsterdamse leven student pedagogiek, maar trekt zich ook graag terug in de pornobioscoop, met nouja, vooral zijn ziel onder z’n arm. Hij gaat op in de massa, maar voelt zich daar geen onderdeel van; wel zomaar een van de jongens, niet one of the guys. Hij is óók degene die alles van een afstandje beschouwt, en erover kan vertellen met de blik van de outsider en de kennis van de insider.
Heerlijke cliffhanger
Dat maakt De verbindingen meteen een uitgesproken lekker boek – want half binnen en half buiten, is dát even een comfortabele positie. „Ik moest zo veel mogelijk alleen maar zielloos dienstplichtig vlees worden dat een uniform vulde. Ik moest mijn hersens onder de baret op spaarstand zetten, en veertien maanden laten sudderen.” Mooi meekijken bij die maffe militairen, en desgewenst een beetje mee grinniken, want gevaarlijk of indringend wordt het niet. Dat lekkere zit ’m ook in Snijders stijl: het ritme en het tempo zitten meteen goed, het is een boek waar je moeiteloos in glijdt, deze verteller is er eens even goed voor gaan zitten, voel je, om een smeuïg en smakelijk verhaal te vertellen.
In het proloogachtige eerste hoofdstuk krijgen we al meteen een (heerlijke) cliffhanger. Drie jaar ná het hele militaire gebeuren werkt onze verteller als nachtportier bij een morsig Amsterdams hotelletje, waar hij op een vroege ochtend in een wc een man aantreft met een heroïnespuit in zijn been – en in die junk herkent hij iemand uit het leger. Nota bene: het is de vaandrig die zijn peloton leidde. Hoe is díé hier beland?
Er was nog iets anders met deze vaandrig Van den Boogaert. Op het kamp voerde hij tegenover de jonge dienstplichtigen, die „wazige appeltjes”, een waar schrikbewind: streng, spartaans, snerend, scheldend, straffend, onnodig hufterig. Daar heeft de verteller ook een vreemd gevoel bij. Want hij kénde hem, van voor de diensttijd, hij had hem ontmoet bij de medische keuring, waar deze zelfde Van den Boogaert nog een joviale, kunstzinnige, anti-autoritaire hippie leek. Hoe kon die bijna-dienstweigeraar en bijna-vriend, eenmaal doorgedrongen tot de officiersrangen, zo snel zó veranderd zijn?
Hij is de perfecte antagonist – de grote spanning in De verbindingen zit in Van den Boogaert, in wat hij doet, wat hij durft. Hij heeft alles wat onze verteller ontbeert: karakter, aanzien, lef, en het belangrijkste: een geheim. Tegen zijn peloton zwijgt de verteller dus ook maar over zijn kennis van Van den Boogaerts rollenspel, bang om voor matennaaier uitgemaakt te worden, of voor verrader, maar misschien ook wel uit eergevoel over zijn exclusieve positie – als ‘stekker’ legt hij misschien de verbindingen, maar met al die spanning kan hij ook kortsluiting veroorzaken…
Geestige scènes
Die symboliek verzin ik niet (denk ik tenminste). Je leest in De verbindingen telkens weer geestige scènes, goedgeschreven voorvallen, sterke anekdotes en scherpe flauwe grappen, maar een deel van het plezier zit erin dat het verhaal ook voor méér staat, steeds meer. Dit gaat ook over het corrumperende machtsspel dat het leger is, over machtswellust, het conformerende opgeven van je identiteit en waarden, ten koste van onschuldige anderen. Snijder, ga je denken, heeft alles misschien wel héél gelaagd en kloppend met elkaar verbonden (!), waardoor dat koddige kwajongensverhaal weleens indringend en gevaarlijk kon worden, toch nog, waarop je des te meer hoopt als Van den Boogaert zijn motieven aan onze verteller toevertrouwt.
Hij wilde namelijk – ik heb al zoveel wendingen naverteld, nu even een spoiler – van zijn diensttijd een performancekunstwerk maken. „Als dat lukte, als ik, dat expressionistische kladderaartje, dat langharige hasjrokertje, echt een perfecte militaire officier kon worden, me dat echt kon gaan vóélen, dan zou ik mezelf pas werkelijk een kunstenaar kunnen noemen”, verzucht hij dromerig. Als dat spel tot in perfectie wordt uitgevoerd en niet meer van werkelijkheid te onderscheiden is, is dat niet het begin van immoraliteit, van het kwaad?, begin je dan te denken. Een kunstschilder die zijn militaire geldingsdrang ontplooit, goh, wat zullen we daarvan zeggen?
Maar draaf niet door: dan maak je De verbindingen groter dan het wil zijn. Dit is ook een roman over een schlemiel die ooit op een dronken avond ingeklemd raakte tussen twee seksende stelletjes, zelf alleen, en beschaamd tot op de dag van vandaag. Dat soort rommelige werkelijkheid wint het toch van de kunstzinnige ambitie – want Van den Boogaert houdt zijn rol niet helemaal vol.
Daar valt iets voor te zeggen, bijvoorbeeld dat Snijder nu eenmaal meer het type schrijver is dat zijn personages ontmaskert als kneusjes (met een heroïnespuit in een been) dan als gevaarlijke rotzakken. Of: dat de zachtheid het toch nog van de hardheid weet te winnen, omdat menselijke schaamte sterker is dan onmenselijke machtswellust, hoera.
Maar je kunt ook zeggen dat Snijder zo de angel uit zijn verhaal heeft gehaald, de scherpe randjes ervan af heeft gevijld. De verbindingen werd een bitterzoet boek, maar er had wellicht een doodeng boek in gezeten.
Op de navo-basis in Duitsland waar hij terechtkomt bouwt hij als gevolg van zijn functie een vertrouwensband op met zijn medesoldaten, al blijft hij toch vooral een observerende buitenstaander. Ook met de dienstplichtige officier, die hij herkent van de keuring, voert hij vertrouwelijke gesprekken en de stekker komt de achtergrond te weten van de bizarre manier waarop de officier het commando voert. Kan de jonge, naïeve officier zijn nieuwe positie wel aan?
Drie jaar later, in een hippiehotel bij de Amsterdamse Zeedijk waar de stekker inmiddels werkt, treffen ze elkaar weer. Het zijn de hoogtijdagen van de heroïne.
Met groot inlevingsvermogen en gevoel voor humor schetst Philip Snijder het bestaan van de dienstplichtige militair, zijn ontheemding, zijn verlangen naar familie en geliefden, zijn kwetsbaarheid vermomd als rauwe stoerheid.
| Uitgever | Atlas Contact, Uitgeverij |
|---|---|
| Auteur(s) | Philip Snijder |
| ISBN | 9789025476823 |
| Bindwijze | Paperback |
| Aantal pagina's | 240 |
| Datum van verschijning | 20250225 |
| NRC Recensie | 3 |
| Breedte | 140 mm |
| Hoogte | 212 mm |
| Dikte | 23 mm |