Duitsland

Helmut Walser Smith
39,99
Op voorraad
SKU
9789029543385
Besproken in NRC
Bindwijze: Hardback
Voor 23:00 besteld, morgen in huis Verzendkosten € 2,95
  • Gratis binnen 14 dagen te retourneren
  • Veilige en makkelijke betaalopties
  • Aangesloten bij Thuiswinkel Waarborg
  • Makkelijk bestellen zonder account
Afbeelding vergroten
Meer informatie
Auteur(s)Helmut Walser Smith
ISBN9789029543385
BindwijzeHardback
Aantal pagina's608
Datum van verschijning20210720
NRC Recensie5 ballen
Breedte165 mm
Hoogte240 mm
Dikte48 mm
NRC boeken recensie

Hoe de Duitse natiestaat een nazistaat werd

Duitsland Giftig nationalisme ontsiert de Duitse geschiedenis. Maar de Amerikaanse historicus Helmut Walser Smith trekt in zijn boek Duitsland. Een natie en haar geschiedenis geen rechte lijn van Luther naar Hitler. De Duitse natie is meer geweest dan het Derde Rijk.

Vreselijk irritante toeristen zijn het, van die mensen die rondlopen in het buitenland en luidkeels verkondigen dat thuis alles beter is. Zo’n toerist was de Duitse historicus Heinrich von Treitschke (1834-1896). De haven van Bordeaux kon niet tippen aan die van Hamburg, vond hij, de wijnheuvels van de Dordogne konden de vergelijking met de Rheingau niet doorstaan, Granada was hooguit een ‘zuidelijk Heidelberg’ en de Kroatische kuststad Pula een ‘zuidelijk Kiel’. En schilders uit Noorwegen? Dat waren niet meer dan ‘wakkere Düsseldorfers’.

Zulk chauvinisme is nog wel om te grinniken, maar minder leuk wordt het als Treitschke schrijft over zijn reis in 1871 naar Galicië, een streek in het Poolse gedeelte van Oostenrijk. Eerst dankt hij de Heer voor ‘het onverdiende geluk als Duitser geboren te zijn’, maar dan gaat hij los op de Joodse wijk van Krakau, die hij ‘een geheel nieuwe wereld’ noemt, vol met een ‘luidkeels marchanderend volk’. De wijk, zo walgt hij, is ‘een breugeliaanse hel, zij het dat geen penseel de weerzinwekkende stank zou kunnen schilderen die als een wolk boven die bende [Joden] hangt.’

Johann Gottfried von Herder
We zijn hier op een cruciaal punt beland, schrijft de Amerikaanse historicus Helmut Walser Smith in zijn indrukwekkende nieuwe boek Duitsland. Een natie en haar geschiedenis. Het nationalisme van Treitschke ‘was nationalisme waarin haat begon door te klinken’. In de tijd van filosoof en dichter Johann Gottfried von Herder (1744-1803) – die geldt als de uitvinder van het moderne begrip ‘natie’ – stelden intellectuelen zich voor dat naties als flora in een tuin zouden co-existeren, aldus Smith. ‘Maar tegen de tijd van Treitschke begonnen sommigen naties te zien als radeloze soorten die met elkaar worstelden in het uur van hun ondergang.’

Het is genoegzaam bekend waarin deze ontwikkeling uitmondde: twee wereldoorlogen en de Holocaust. Auschwitz is altijd aanwezig voor wie schrijft over de Duitse geschiedenis, maar de kracht van het boek van Smith (Freiburg, 1962) is dat hij niet teleologisch van Luther naar Hitler marcheert. Het idee ‘Duitsland’ was altijd in beweging, toont hij op overtuigende wijze aan. Naties, schrijft Smith, zijn net als andere historische verschijnselen, noch tijdloze waarheden, noch arbitraire verzinsels. ‘Veeleer is het zo dat naties in verschillende periodes op verschillende manieren waar en werkelijk zijn.’ Hij verzet zich tegen het idee ‘dat Duitse nationalisten de Duitse natie hebben voortgebracht en uitgevonden’ en dat de Holocaust gezien moet worden als ‘het duistere hoogtepunt van een lange en destructieve geschiedenis van Duitsland’.

Kortom: Smith wil de natie redden van de nazi’s.

Cartografie
Om zijn these te onderbouwen werpt Smith, hoogleraar geschiedenis aan de Vanderbilt University in Nashville, een wijd net uit. Hij gebruikt naast voor de hand liggende bronnen – teksten van auteurs als Luther, Goethe, Schiller, Herder en Treitschke – ook verrassende andere manieren om de geschiedenis in beeld te brengen. Kaarten spelen hierbij een hoofdrol. Er staan er meer dan twintig in het boek, van de verblijfplaatsen van keizer Maximiliaan I (1459-1519) tot de concentratiekampen van Adolf Hitler.

Cartografie was ook cruciaal bij het ontstaan van het eerste idee van wat Duitsland nu eigenlijk was, stelt Smith. De Romeinse historicus Tacitus (ca. 56-117) schreef al over Germania en middeleeuwse minstrelen als Walther von der Vogelweide bezongen het tiutsche Lant, maar pas rond 1500 werden er voor het eerst pogingen gedaan om duidelijk te krijgen wie er nu bij dit land hoorden. Welke steden, welke mensen? Kaartenmakers beantwoordden die vragen op het tweedimensionale vlak, in woord en beeld.

Stadsgezichten
De humanist Sebastian Münster was zo iemand. Zijn Cosmographia (diverse edities vanaf 1544) bevatte naast kaarten ook realistische stadsgezichten, voorzien van een nauwkeurige beschrijving van de steden in kwestie. Het doel van zijn inspanningen was, aldus Münster, de ‘verborgen schoonheden’ van ‘ons gemeenschappelijke Duitse vaderland’ aan het licht te brengen en een werk te creëren ‘waarin heel Duitsland te zien zal zijn, met al zijn ingezetenen, al zijn steden en gewoonten, als in een spiegel’.

Terwijl Münster en de zijnen zich hiervoor inspanden, werd het land verscheurd door godsdiensttwisten die uitmondden in de Dertigjarige Oorlog (1618-1648), een ongekende catastrofe die hele streken van Duitsland ontvolkte. In de eeuw daarna kwamen territoriale staten op als Pruisen, Oostenrijk en Beieren. Dat zorgde, schrijft Smith, voor een ‘copernicaanse wending’ in het denken over Duitsland.

Een belangrijk aspect van die ommekeer was het ontluikende patriottisme. Dat betrof hier nog niet de Duitse natie, maar de territoriale staten, die in het geval van Pruisen en Oostenrijk absoluut niet homogeen Duits waren. Onderdanen werden geacht loyaal te zijn aan hun vorst en niet aan hun broeders en zusters in de rest van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie, een reliek uit de Middeleeuwen dat tientallen staten en staatjes bevatte en waarover in naam een Habsburgkeizer heerste.

Kleine staten voelden zich bedreigd in hun voortbestaan door de grote jongens Pruisen en Oostenrijk en dat leidde tot het ontstaan van een nieuw soort patriottisme. Lorenz von Westenrieder (1748-1829), een Beierse auteur, stelde bijvoorbeeld dat de grote staten het product waren van oorlogen en huwelijkspolitiek, maar dat Beieren geworteld was in de duurzaamheid van een volk, in de uniciteit van zijn taal en tradities, en in het overvloedige natuurschoon van het land.

Een natie was dus geen plek op de kaart, maar een product van geschiedenis en cultuur. ‘Poëzie, en niet politiek, was de bron waar die nieuwe voorstelling uit voortkwam’, schrijft Smith. ‘Geluid, niet beeld, de primaire uiting; en de Duitse taal, niet geografie, het belangrijkste idioom. De nieuwe manier was gebaseerd op de gedachte dat een natie niet alleen maar buitenkant was, niet alleen maar oppervlak, maar iets innerlijks, misschien zelfs (al werd het woord nog niet gebruikt) een identiteit.’

‘Gewone Duitser’
Niemand was zo belangrijk voor de geboorte van dit nieuwe natiebegrip als Herder. Taal was voor hem cruciaal, en dan vooral de taal van de ‘gewone Duitser’. Die zocht hij in volksliedjes, maar ook in gezangen van Luther – liederen in een ‘oorspronkelijke, onverschrokken en mannelijke taal’. De emoties konden hem niet onstuimig genoeg zijn. Dat was een sentiment dat hij deelde met zijn tijdgenoot Johann Wolfgang von Goethe (1748-1832), net zoals diens liefde voor de natuur. Denken over de natie was in deze tijd overigens een liefhebberij van de intellectuele elite waartoe dit duo behoorde. Hun geliefde ‘gewone Duitser’ zelf was met heel andere dingen bezig.

Herder meende dus dat naties naast elkaar konden bestaan als planten in een tuin, maar aan dat idee maakten de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen een einde. De vernedering van de nederlaag die Pruisen leed in 1806, was een belangrijke stap in de radicalisering van patriottisme richting Duits nationalisme.

De filosoof Johann Gottlieb Fichte wond er in 1808 geen doekjes om in zijn Reden an die Deutsche Nation. Hij stelde dat nationale wedergeboorte het ‘vormen van een geheel nieuw zelf vereiste’. De natie was een broederband, ‘een organische eenheid waarbinnen geen mens het lot van de ander voor het lot van een vreemde houdt’. Het was tijdens de Bevrijdingsoorlogen die in 1813 en 1814 tegen Napoleon werden uitgevochten dat dit soort emoties als liefde, haat en angst voor het eerst ten dienste van de staatsmacht werden gesteld, zegt Smith. Dat was het begin van een gevaarlijke ontwikkeling.

In de eerste helft van de negentiende eeuw manifesteerde dit fenomeen zich echter nog onschuldig – in kunst en kitsch. Een stortvloed van boeken met afbeeldingen van de Duitse natuur vond gretig aftrek bij het publiek. Eén uitgever schamperde dat er ‘tussen Mainz en Keulen nauwelijks nog een huis of boom te vinden is die nog geen pen of graveerstift in beweging heeft gebracht’.

Na de mislukte revolutie van 1848, een gemiste kans voor Duitsland om de richting van een meer democratische toekomst op te gaan, werd de natie in 1871 door de Pruisische kanselier Otto von Bismarck uiteindelijk verenigd in het Duitse keizerrijk. Die natiestaat werd snel voelbaar, schrijft Smith. ‘Reizigers waren zich bij het passeren van een grens al sterker bewust van het feit dat ze van de ene cultuur naar de andere gingen. Ze zagen Duitsland inmiddels ook bewust als hun vaderland, en die kijk ging, vooral in het oosten en het zuiden, vaak gepaard met de overtuiging dat de ander vreemd en minderwaardig was.’

Opoffering
Een van die snoeverige reizigers was dus Treitschke, ook wel bekend als ‘de profeet van ons rijk’. Maar nóg leefden Duitsers in een tijdperk waar nationalisme wel aanwezig, maar niet allesbepalend was, vindt Smith. En zelfs de Eerste Wereldoorlog bracht hierin nog geen verandering. Wel werd er weer een stap gezet in de ontwikkeling van het Duits nationalisme: het idee dat het nobel was te sterven voor het vaderland, werd algemeen aanvaard. Smith noemt het hoofdstuk over de periode 1914-1933 dan ook ‘Opoffering voor’.

Het hoofdstuk daarna heet ‘Opoffering van’. Hier zetten de Duitsers, onder aanvoering van Hitlers nationaal-socialisten, de laatste, catastrofale stap. De vernedering van het verlies van de Eerste Wereldoorlog is hiervoor de belangrijkste verklaring. Om de Duitse natie te verdedigen was het hierna niet langer genoeg het eigen leven te geven, maar moesten vreemde elementen – Joden, Polen, Russen – vernietigd worden.

Smith beschrijft deze destructie met grote nauwkeurigheid. Helaas blijft het daarbij. Juist hier had hij meer aandacht mogen besteden aan waarom gewone Duitsers meewerkten aan het doden van miljoenen onschuldige mensen. Brieven, dagboeken en memoires hebben daar van alles over te zeggen. Speelde giftig nationalisme de hoofdrol, of waren andere zaken belangrijker? (Denk aan groepsdruk, zo goed beschreven in Doodgewone mannen. De rol van een Duits politiebataljon in de Endlösung in Polen van Christopher Browning.)

Het is het enige kritiekpunt op dit verder uitmuntende boek. Smith slaagt er met glans in aan te tonen dat de Duitse natie meer is geweest dan alleen het wangedrocht van het Derde Rijk. Hij doet dat op erudiete wijze, zonder dat de lezer het gevoel krijgt dat hij bedolven wordt onder de inhoud van een boekenkast.

Boetedoening
Na de Tweede Wereldoorlog volgde de verdrijving van twaalf miljoen Duitsers uit de rest van Europa, de splitsing van de natie in twee staten, de verwerking van en boetedoening voor het nazi-verleden en de hereniging. In de afgelopen decennia kwam daar een forse migratiestroom bij. Smith zag in 2006, toen het WK voetbal in Duitsland werd gehouden, een natie die trots op zichzelf durfde te zijn. Zwaaien met de Duitse vlag kon zonder schaamte, en gebeurde door mensen van allerlei kleuren.

Hoe moet het verder met de Duitse natie? Een prangende vraag nu Angela Merkel afscheid neemt en er volgende week zondag verkiezingen zijn. Duitsland is anno 2021 een etnisch divers land, mede door haar ruimhartige vluchtelingenbeleid. Dat heeft geleid tot een opleving van giftig nationalisme. Smith hoopt dat een beter begrip van de Duitse geschiedenis een nieuwe ontsporing kan voorkomen. ‘Historisch nationalisme, vooral in zijn moderne, radicale vorm, kan geen naties voortbrengen. Integendeel, het kan ze alleen maar verlagen, verdelen en uiteindelijk vernietigen.’

Die waarschuwing geldt uiteraard niet alleen voor Duitsland.

17-09-2021 Bart Funnekotter

Back to top