Een man voor de zomer

Renate Rubinstein
25,00
Op voorraad
SKU
9789025465544
Besproken in NRC
Bindwijze: Hardcover
Levertijd 1-2 werkdagen Verzendkosten € 2,95
  • Gratis binnen 14 dagen te retourneren
  • Veilige en makkelijke betaalopties
  • Aangesloten bij Thuiswinkel Waarborg
  • Makkelijk bestellen zonder account
Afbeelding vergroten
Meer informatie
Auteur(s)Renate Rubinstein
ISBN9789025465544
BindwijzeHardcover
Aantal pagina's416
Datum van verschijning20201113
NRC Recensie4 ballen
Breedte154 mm
Hoogte217 mm
Dikte39 mm
NRC boeken recensie

Renate Rubinstein was ‘altijd wel verliefd’

Renate Rubinstein Renate Rubinstein kon verbeten en woedend klinken, en toch grappig en gevoelig blijven: heel knap. Uit de twee bloemlezingen bij haar dertigste sterfdag blijkt hoe vaak zij het bij het juiste eind had.

Daar gaan we, gebogen door de straten, in bochten om elkaar heen, verstolen ademend in onze kapjes. Hoe te leven? Hadden we Renate Rubinstein (1929-1990) nog maar! Die zou er vast iets ferms en snuggers over beweren, omkleed met de nodige kwinkslagen. In twee bloemlezingen uit haar enorme oeuvre aan columns en andere stukken, uitgebracht ter gelegenheid van haar dertigste sterfdag, staat te lezen hoe het vroeger was – ook een onoverzichtelijk gedoe. ‘In vrijheid en gelijkheid moeten wij met onze medemensen naar bed gaan, maar zonder exclusiviteit’, schrijft ze. Ze vraagt zich af of dat mogelijk is en besluit van niet: ‘Eros zelf genereert afhankelijkheid.’ Rubinstein was kritisch op de tijdgeest, geestig en scherp: ‘De wereld heeft nog nooit zo vol smoesjes gezeten als ons huidige, openlijke, de dingen bij de naam noemende.’

Waar tijdgenoten haar drammerigheid en kortzichtigheid verweten, valt nu op hoe dikwijls zij het bij het juiste eind had, of op zijn minst terechte vraagtekens plaatste. En vooral hoe ontzettend goed ze dat opschreef. Haar stijl staat nog altijd als een huis, en behalve van zelfvertrouwen blaken haar stukken van humor en relativering, ook van zichzelf.

In Bange mensen stellen geen vragen, een door Ronit Palache samengesteld Privédomein-deel, zijn de stukken thematisch gerangschikt. Palache acht Rubinstein ‘de koningin van de autonomie’ en stelt haar drang daartoe centraal – een overtuigende keuze. Het boek begint, na een fraaie inleiding, met stukken uit Rubinsteins jeugd, nog wat flets, en eindigt met een aantal brieven, die jammer genoeg ook net wat minder levendig zijn.

In de andere, door de erven samengestelde bundel Een man voor de zomer werd gekozen voor een thema dat bij Palache een enkele sectie vormt: liefde en relaties. Er is vrij veel overlap tussen de boeken, van inderdaad niet te missen stukken.

Standbeeld
Wie de titels naast elkaar legt, ziet dat Palache een vollediger beeld geeft van wie Rubinstein was. Maar de bundel is ook taaier, meer een naslagwerk dan een leesboek. Een man voor de zomer lees je daarentegen voor je plezier van kaft tot kaft. Het werkt als introductie op het werk het best.

Veel van de door Palache gekozen stukken zijn wel erg tijdgebonden. Er vallen bergen namen die weinig meer zeggen. En wat moeten we nu met een losse mening over een uitvoering van Peter Schat in New York of over hoe de eerste essaywedstrijd in de NRC getoonzet was? Sommige polemieken zijn minder goed te volgen dan Rubinsteins bemerkingen over bijvoorbeeld afgunst of de betrekkelijkheid van (on)geluk in een mensenleven. Wel spelen thema’s waarover ze zich uitlaat ook nu soms nog of weer, bijvoorbeeld of een schurk als Van Heutsz een standbeeld verdient. Een ‘jodenmop’ in het satirische tv-programma Hadimassa raakt aan de discussie over grievende grappen anno nu.

Rubinstein beschouwde opinies, ook haar eigen, als ‘oppervlakteverschijnselen’. Haar is verweten dat ze altijd gelijk wilde hebben, maar in deze bloemlezingen valt juist op hoe zoekend ze durfde te zijn: ‘Vaak ben ik tegen meningen of verschijnselen begonnen te schrijven omdat ik ze echt niet begreep.’ Nieuwsgierigheid stelde Rubinstein tegenover vooringenomenheid. Het heil van het niet zomaar met de kudde mee blaten, brengt ze krachtig en voorbeeldig voor het voetlicht. ‘Doe wat je wilt maar richt er zo min mogelijk schade bij anderen mee aan’, is voor haar de enige houdbare morele stelregel. Ze houdt ook van andere zelfstandig denkende en handelende types, zoals haar vrienden Annie Schmidt en Ischa Meijer, van wie ze gave portretten schetst. Ze plaatste kanttekeningen bij wat ‘iedereen’ vond en kon van mening veranderen (behalve in de Weinreb-affaire).

Onderduiken
Wat bij Palache duidelijk wordt, en minder uit Een man voor de zomer, is hoe de oorlog – haar vader werd aan het begin van de Duitse bezetting opgepakt – allesbepalend was. In haar stukjes speelt de oorlog op de meest onverwachte momenten een rol. Als ze bespiegelt over het werk van een psychiater, duikt er een SS’er op zijn divan op. Geregeld komt aan de orde bij wie je zou kunnen onderduiken. Ook frappeert haar telkenmale hoe gemakkelijk je ‘fout kunt kiezen’.

De sterkste stukken in beide bloemlezingen gaan over haar eigen leven. Daarover schreef ze gelukkig vaak, of ze vertrok van daaruit, want ze achtte ‘het particuliere [...] herkenbaar voor ons allen’ waar ‘het algemeen geldige, opgeschreven in algemeen geldige termen, onherkenbaar [is]’.

Rubinstein was bovendien ‘altijd wel verliefd’. Mooie woorden vindt ze voor dat ‘eindeloze koeachtige hunkeren.’ Over overspel werd in haar tijd vaak beweerd: ‘Dat je het doet vind ik niet zo erg, maar dat je erover liegt, dat is het ergste’: dat klopt niet, schrijft ze. Men zegt het nóg (en kloppen doet het nog steeds niet).

Patroniseren
Rubinstein zag weinig verschil tussen de seksen. Ze karakteriseert gedrag van een man gerust met een woord als ‘moederlijk’. Ze vond dat iedereen dezelfde kansen had, en geloofde niet erg in rolpatronen. Henk Hofland aaide haar eens over haar hoofd in een loonconflict: ‘Mannen gaven in die dagen nog niet toe dat ze vrouwen patroniseerden en ze ontkenden het ook niet.’ Volgens haar ging dat toch over – wanneer weet ik niet. Helaas ontbreken in beide bloemlezingen data bij de stukken.

Waar Rubinstein niet direct inhaakt op de actualiteit, komt haar stijl het beste tot zijn recht. Wanneer ze zichzelf de ruimte van een heel boek gunt, al helemaal. Niets te verliezen en toch bang (1978, over haar scheiding), Nee heb je (1985, over haar ziekte) en Mijn beter ik (1991, over haar relatie met Simon Carmiggelt) staan vol ironie (‘Eén geluk had ik – toen ik de diagnose MS kreeg wás ik al ongelukkig’), en toch ook vol gevoel.

Twee van deze titels staan in zijn geheel in Een man voor de zomer; bij Palache vind je de derde, en delen van die andere twee. In die boeken springen de kracht en kunde van Rubinsteins schrijverschap extra in het oog. Ze laat zich wat meer gaan, schrijft losser, terwijl het tegelijk meer doorgecomponeerd en -gedacht is. Soms is de toon nog meer staccato: ‘Kloten. Man weg.’ Ze kon verbeten en woedend klinken, en toch grappig en gevoelig blijven: heel knap.

Soms klinkt ze me bekend in de oren – ze heeft haar ‘nazaten’ onder huidige schrijvers. Nicolien Mizee-achtig zijn de pogingen tot iets algemeens geldends over mensen te komen, zoals: ‘In mijn leven heb ik nooit gemerkt dat oprecht zeggen wat je werkelijk voelt de mensen ooit voor je inneemt, of ze van gedachten doet veranderen.’ Aan Sylvia Witteman dacht ik bij stilistische branie van zinnen als: ‘Na die ene keer inktvis met knoflook val je vanzelf weer terug in de boterhammenworstroutine’ – over seks.

Het allermooist uit al het recent gebloemlees is al met al toch Mijn beter ik. Rubinsteins verhaal over haar liefde voor en met Simon Carmiggelt vermaakt en ontroert, meer nog dan al het andere, doordat ze er een (nog) grotere openheid in nastreefde. Geschreven op de valreep van haar leven, vlak voor haar dood, fonkelt het voorgoed.

2020-11-19 Judith Eiselin

Bestanden bij dit product
Back to top