Voor Mary Beard draait het bij de klassieken vooral om de ‘schok van het oude’
In haar nieuwe boek schrijft de Britse ‘publieksclassica’ Mary Beard dat we juist de klassieken moeten lezen om het heden te begrijpen. Zeker nu populisten en extreemrechtse groeperingen maar al te graag de Oudheid gebruiken om hun punt te maken.
Toen aan classica Mary Beard gevraagd werd naar welke plek ze het liefst zou gaan als ze één dag in het oude Rome mocht doorbrengen, antwoordde ze onmiddellijk: „Dan moet ik eerst wel zeker weten dat ik ook een kaartje voor de terugreis op zak heb.” Het leek haar geen pretje om te blijven steken in het Rome van de Oudheid, zeker niet als vrouw. Het is tekenend voor de nuchtere kijk die Beard op de klassieke Oudheid biedt: zonder bewonderend op te kijken naar die periode en er ‘tijdloze waarheden’ uit te verwachten, houdt ze een vurig pleidooi voor de Oudheid als een voortgaand gesprek over zaken die ons nog steeds, en misschien wel eens te meer, aangaan.
Eerder schreef Beard, hoogleraar in Cambridge en ‘publieksclassica’, boeken voor het grote publiek over Romeinse geschiedenis zoals SPQR en Pompeii, enigszins vergelijkbaar met het werk van Fik Meijer in de Nederlandse context. Dit nieuwe boek is echter anders dan we van haar gewend zijn, omdat het een poging is tot een antwoord te komen op een meta-vraag: waarom zouden we de Griekse en Romeinse oudheid überhaupt nog bestuderen? En nee, dat is volgens haar niet omdat de klassieke talen zo’n goede oefening zijn in logisch denken of omdat je er je voordeel mee kan doen bij de studie rechten of geneeskunde. Wat Beard betreft raken deze obligate argumenten nauwelijks aan waar het in de bestudering van de klassieken echt om gaat, namelijk: de schok van het oude.
Wat ze daarmee bedoelt, verwoordt Beard in het eerste hoofdstuk door te vertellen over de basale verwondering (Grieks: thauma) die je kan ervaren in de confrontatie met het oude dat „zowel wonderbaarlijk vertrouwd als ook tergend ontoegankelijk is”. Het boek begint met haar herinnering aan een vierduizend jaar oud brood dat ze als kind in het British Museum zag. De rest van het hoofdstuk is een aaneenschakeling van voorbeelden waarin zowel een „gedeelde menselijkheid” wordt ervaren als de inherente onbereikbaarheid van de antieken.
Dode struisvogel
Hoogtepunt was voor mij een anekdote, beschreven door de Romeinse senator en geschiedschrijver Cassius Dio. In het jaar 192 van onze jaartelling zit hij op de eerste rij van het Colosseum, dicht bij de Romeinse keizer Commodus. De keizer doet mee aan het gladiatorenspektakel en schiet vanachter een veilige balustrade op dieren in de arena. Op een gegeven moment paradeert de keizer met het hoofd van een gedode struisvogel langs de senatoren op de eerste rij. Het tafereel is dreigend, maar tegelijk zó potsierlijk dat Dio zijn lachen nauwelijks kan inhouden. Hij moet een blaadje uit de lauwerkrans om zijn hoofd pakken en er hard in bijten om niet in de lach te schieten en zijn leven te riskeren. Ondanks de totale andersheid van de beschreven wereld kunnen we ons in die lachbui goed inleven. Ook de vrees van de senatoren doet niet onder voor die van bibberende ministers aan de lange tafel van een autocraat als Poetin.
Na dit lange eerste hoofdstuk vraag je je wel af waarom deze ‘schok van het oude’ is voorbehouden aan de Grieks-Romeinse klassieken en niet ook plaatsvindt bij de bestudering van de Perzen of de Middeleeuwen. Volgens Beard is dat omdat de Grieken en Romeinen „altijd onder ons zijn geweest” en daarmee een „voorsprong hebben in de luidruchtige strijd om onze aandacht”. Er zijn maar weinig historische periodes geweest die zo lang geleden zijn en tegelijk zó present in ons politieke en culturele heden.
De verdienste van Beard is dat ze, metaforisch gesproken, de blauwe latexhandschoenen uitdoet die van de Oudheid een onaantastbare en onbesmette werkelijkheid hebben gemaakt. Vrijmoedig blaast ze het stof van de oudheden af. Wat blijkt? De antieke monumenten waren in hun eigen tijd soms óók schokkend en omstreden. Zo waren de meeste Atheense schrijvers die we vandaag de dag nog lezen bepaald geen voorstanders maar juist felle bestrijders van de democratie als staatsvorm. Op die manier ontmythologiseert Beard het ‘wonder van Griekenland’ om des te meer recht te doen aan het gesprek over democratie en andere onderwerpen waarover sinds de Oudheid wordt gedebatteerd. De antieken nodigen je uit voor een conversatie die al sinds de Oudheid zelf gaande is.
Misbruik
Beard schrijft ogenschijnlijk vooral met de Britse context voor ogen, waarin de klassieken toegang gaven tot de culturele en economische elite: tot in de jaren zestig moest je bijvoorbeeld Latijn in je pakket hebben om in Oxford wiskunde of economie te gaan studeren. De klassieken werden schaamteloos misbruikt om culturele minderheden, arbeiders en vrouwen uit de witte, Britse ‘zuilenclub’ te weren. In het hoofdstuk ‘Goed en kwaad’ schetst Beard tevens het misbruik van de klassieken door fascistische bewegingen, met name aan de hand van Mussolini’s obsessie met de Oudheid.
Het boek komt op een goed moment, nu populisten en extreemrechtse groeperingen maar al te graag de Oudheid gebruiken om hun punt te maken. En ook aan de academie woedt een strijd om de klassieken: in de VS – maar ook elders – kopen conservatieve groeperingen zich in aan de reguliere universiteiten en stichten instituten die ‘classical education’ aan studenten aanbieden. Deze instituten zien de Oudheid niet als een platform voor een gesprek, maar als het ideale middel om een (conservatieve, pre-verlichte) agenda te pushen. Anderzijds worden de traditionele classici, met name die van het Britse soort, onder vuur genomen door woke groeperingen voor wie de afbraak van de ‘klassieken’ niet snel genoeg kan gaan. Onlangs nog, tijdens het jaarlijkse congres van de Britse Classical Association, werd een oudere, Britse professor met een enigszins romantisch verhaal over zijn oudheidkundige onderzoek in India en Afghanistan publiekelijk beschuldigd van racisme en uitsluiting.
Beard weet tussen die twee kampen goed het midden te houden en laat met dit boek inderdaad zien dat ‘we het over de klassieken moeten hebben’ – een mooie vondst van de vertaalster. Bij het nuchtere en sprankelende betoog van Beard, die de hedendaagse pijnpunten dus niet uit de weg gaat, is het des te vreemder dat zij niet ingaat op die nogal eurocentrisch aandoende naam: de klassieken. Er zijn immers ook Chinese en Arabische ‘klassieken’? Over een mogelijk alternatief voor deze aanduiding van het vakgebied laat Beard zich in dit boek helaas niet uit.
€ 25,00
Vanaf
Onze prijs
Adviesprijs aanbieder
Levertijd 1-2 werkdagenVerzendkosten € 2,95
Omschrijving
Wat is er spannend aan een stuk brood van vierduizend jaar oud? Of aan een paar potten verf die zijn achtergelaten bij de uitbarsting van Pompeii? Waarom zouden we ons druk maken om het verre verleden? Wat is het nut ervan?
Het leven, de kunst en de literatuur van het oude Griekenland en Italië hebben ons veel te bieden. De oudheid is niet het eigendom van oude witte mannen. Beard zet ons aan het denken over hoe we mensen die lang geleden leefden moeten begrijpen – van boze landheren en knotsgekke keizers tot giechelende senatoren. Haar conclusie: laten we ons voornemen beter na te denken over onze eigen wereld, en er anders naar kijken.
In We moeten het over de klassieken hebben wijst Mary Beard op veel verrassende verbanden tussen de oudheid en het heden. Van revolutionairen tot dictators, van Bob Dylan tot Beyoncé: de meest uiteenlopende moderne kunstenaars blijken gefascineerd te zijn door de oudheid. Het is niet verplicht, betoogt Beard, om enthousiast te zijn over vroeger, maar het is zonde om dat niet te zijn.
Na een halve eeuw klassieke talen te hebben gedoceerd en bestudeerd laat Mary Beard ons in We moeten het over de klassieken hebben zien waarom het verre verleden haar een leven lang al raakt. En hoe het komt dat het ons allemaal raakt. Nog steeds.