Black overlay

Telefonisch bestellen

Graag telefonisch producten bestellen?

088 - 572 05 72 

Op werkdagen van 8.00 tot 19.45 uur, op zaterdag van 11.00 tot 16.30 uur

Klantenservice

Wilt u contact met onze klantenservice?

088 - 572 02 02 

Op werkdagen van 8.00 tot 19.45 uur, op zaterdag van 11.00 tot 16.30 uur

Klantenservice@nrcwebwinkel.nl

De brieven

Frans Kellendonk, Frans Kellendonk

Besproken in NRC
5

Schrijf een recensie

Bindwijze: Hardback
 29,99
Levertijd: 1-3 werkdagen
Verzendkosten: € 1,95 per bestelling

Productinformatie

Op 15 februari 2015 was het een kwarteeuw geleden dat
Frans Kellendonk stierf, negenendertig jaar oud.
Het belang van zijn schrijverschap is boven alle twijfel
verheven: hij was een van de meest getalenteerde en
spraakmakende auteurs van zijn generatie.
Dat Kellendonk ook een uitmuntende en gedreven
briefschrijver was, blijkt uit deze ruime keuze uit zijn
correspondentie, samengesteld en geannoteerd door
Oek de Jong en Jaap Goedegebuure. De brieven geeft niet
alleen een fascinerend beeld van een zich ontwikkelend
schrijverschap, maar ook van de vriend, minnaar en zoon
die Kellendonk was.

Productkenmerken

ISBN 9789021457987
Auteur Frans Kellendonk, Frans Kellendonk
Uitgever Querido
Datum uitgave 20150512
Lengte (in mm) 223
Breedte (in mm) 149
Dikte (in mm) 49
Aantal pagina's 480

Besproken in NRC

Ik wil geen oorlog, maar gezelligheid
Frans Kellendonk

Ik wil geen oorlog, maar gezelligheid | 15 mei 2015

5

‘Niets maakt me zo eenzaam als futiliteit.’ Het is een zinnetje tussen neus en lippen door, midden in een lange, gezellige brief die Frans Kellendonk (1951-1990) in 1973 schreef aan zijn geliefde Jan Duyx, maar het zet de toon voor een heel leven. Even daarvoor heeft hij een dodelijk portret geschetst van een medestudent – de jonge anglist Kellendonk werkt in Birmingham aan zijn scriptie – die hem bij zinloze discussies probeert te betrekken. ‘Mijn Canadese buurman, een onuitstaanbare wijsneus, houdt graag ellenlange disputen over dingen zoals: wordt insuline synthetisch bereid, ja of nee. Over zoiets discussieer je niet, je zoekt het op.’

Mensen die Kellendonk gekend hebben, horen het hem zeggen. Zijn brieven, met liefdevolle zorg verzameld en bezorgd door Oek de Jong en Jaap Goedegebuure, staan vol met dit soort deadpan, corrigerende opmerkingen – ze zijn geschreven door een schrijver, eerst jongen, dan man, die eigenlijk altijd bezig is iets recht te zetten. Dat gaat van het meewarig verbeteren van taalfouten bij anderen (‘Nogmaals, Jan: je schrijft “jouw” alleen in het geval van een bezittelijk voornaamwoord van de tweede persoon.’) tot besliste correcties van misvattingen bij critici over zijn werk (‘mijn reputatie blijkt een som van misverstanden, er waart in Nederland een valse Frans Kellendonk rond en geloof me, ik haat dat spook.’) – tot een diepgaande kritiek op het zich op de Verlichting beroepende gelijkheidsdenken.

Concentratie, precisie en waarachtigheid, dat waren de voorwaarden die Kellendonk aan zichzelf, zijn omgeving en de rest van de wereld stelde. Dat je daarvoor het beste alleen kunt zijn, besefte hij gaandeweg steeds meer, maar hij legde zich er niet bij neer. Dat zijn veeleisendheid in de omgang vaak onbegrip en irritatie wekte, of bedeesd ontzag, begreep hij slecht; voor hem was die nietsontziende oprechtheid juist voorwaarde voor een echt contact. Dat was de tragische paradox in zijn leven: de voorwaarden die hij stelde om aan zijn eenzaamheid (‘ik schrijf over niets anders’) te kunnen ontsnappen en deel uit te maken van een gemeenschap, versterkten die eenzaamheid alleen maar.

Mediahetze

Toen zijn roman Mystiek Lichaam (1986) door de kritiek niet begrepen werd en hij door de criticus Aad Nuis van antisemitisme werd beschuldigd, wat tot een mediahetze leidde, werd hem hardhandig ingepeperd dat de wereld zich niets van zijn uitgestoken hand aantrok. Aan zijn goede vriend de dirigent Ed Spanjaard, schrijft hij dan: ‘Meende ik vroeger in mijn eentje tegenover de rest van de wereld te staan, nu is dat isolement verhevigd tot oorlog. En ik wil helemaal geen oorlog, ik houd mateloos veel van gezelligheid.’

Dat laatste is zeker waar. In veel brieven hunkert Kellendonk naar burgerlijke gezelligheid – in de brieven die hij aan zijn familie schrijft (‘Hallo allemaal!’) is regelmatig sprake van het verlangen naar een knus samenzijn met ‘koffiepunten’. Veel van de brieven aan vrienden en bekenden bestaan uit wat de Engelsen banter noemen, vermakelijke en vaak vileine verslagen van zijn wederwaardigheden om de geadresseerde te vermaken.

Een paar keer in zijn leven maakt hij een reuzensprong uit de eenzaamheid en is hij halsoverkop, onvoorwaardelijk, blind verliefd. Dat duurt nooit lang; zodra de geliefde niet blijkt te passen in het beeld dat hij van hem heeft geschapen, raakt Kellendonk snel teleurgesteld; hij heeft zichzelf niet bedrogen, maar de geliefde hem. Zijn verdriet maakt hem dan vals. Zijn amour fou uit het begin van de jaren tachtig, Thijs Westerhoudt (de moeder van Kellendonk, die haar zoon tijdens zijn lange, laatste ziekbed verzorgde, vertelde me eens dat ze haar zoon nog nooit zo gelukkig had gezien als in de begindagen van die liefde), wordt al snel van alles en nog wat beschuldigd; de gebruikelijke toon van geamuseerde schamperheid wordt dan akelig denigrerend.

Een andere liefde, theatercriticus en correspondent Pieter Kottman, krijgt nadat deze de relatie verbroken heeft een magnifiek betoog toegestuurd over wat volgens Kellendonk de liefde moet zijn – het is een leerstuk, waarin alleen voor de oplettende lezer een smeekbede doorklinkt. Niet lang daarna echter volgt een belerende brief met taalcorrecties naar aanleiding van een toneelrecensie. Wanneer het mis gaat met zijn intieme omgang met anderen, trekt Kellendonk zich als gestoken terug in zijn superieure ongenaakbaarheid.

De brieven getuigen van talloze seksuele avonturen; typerend is dat wanneer hij tijdens een verblijf in Minneapolis naar de supermarkt gaat, met meer dan alleen boodschappen thuiskomt. Maar het zijn, dat beseft hij zelf, eerder spasmes van zijn eenzaamheid, dan echte ontmoetingen.

De onmacht en kwetsbaarheid die in het werk van Kellendonk eigenlijk alleen te vinden is in Mystiek lichaam, komen in zijn brieven op de voorgrond te staan. Je kunt je afvragen of hij daar zelf blij mee zou zijn geweest. In het literair testament dat hij niet lang voor zijn dood opmaakte, rekende hij zijn brieven niet tot zijn oeuvre. Wie ze leest, begrijpt waarom hij dat vond: tijdens zijn korte leven deed de schrijver zijn uiterste best om niet zelf voor zijn werk te gaan staan. Hij stond uiterst argwanend tegenover het genre van de biografie, waarin het werk van een schrijver meestal tot zijn persoonlijke besognes wordt gereduceerd. Hem ging het er niet om waar een schrijver het allemaal vandaan haalde, maar wat hij ermee deed. Dat geldt net zo goed voor de katholieke ondergrond van romans als Letter en geest (1982) en Mystiek lichaam; het ging er niet om, zoals in de kritiek vaak gebeurde, om de verwijzingen naar de Bijbel te achterhalen, hij gebruikte de christelijke thema’s zuiver als materiaal om iets nieuws te vertellen.

In zijn romans en verhalen bouwde hij op een beeldende manier zijn persoonlijke thematiek uit, maar in zijn brieven aan familie, vrienden, contacten en critici is de persoon Kellendonk zelf het middelpunt, de schrijver die zich onwillekeurig in zijn kaarten laat kijken. Behalve de onthulling van intimiteiten waarvoor hij zich wellicht gegeneerd zou voelen, vermoed ik dat hij last gehad zou hebben bij de gedachte dat zijn brieven nu in handen zijn van de lezer, in plaats van een lezer, de vriend of kennis aan wie ze gericht zijn. Daar waren ze niet voor bedoeld.

Loepzuiver proza

Toch is de uitgave van De brieven een literaire gebeurtenis van de eerste orde. In de eerste plaats door het loepzuivere Kellendonkiaanse proza, de dodelijke typeringen, de hilarische tragiek die zijn handelsmerk was (in een brief aan Gerard Reve beschrijft hij hoe hij zich ontfermt over een buurman die hem bedreigde, bijna een kort verhaal op zich), en glasheldere, essayistische uitweidingen.

Onwillekeurig vatten de brieven ook een tijdperk samen, waarin een generatie jonge homo’s in de jaren zeventig de vruchten plukt van de ‘emancipatie’ (tijdens zijn verblijf als student in Engeland gaat de student Kellendonk regelmatig naar bijeenkomsten en feesten van het Gay Liberation Front), en eigenlijk meteen daarna geconfronteerd wordt met de verwoestende Aidsepidemie. Maar wat de uitgave van de brieven van Kellendonk echt rechtvaardigt: ze werpen een verbazingwekkend helder licht op zowel zijn leven als zijn werk. Beide zijn met elkaar verstrengeld; zelf zei hij dat hij nooit iets verzon, dat alles wat hij schreef echt gebeurd was. Maar daarmee bedoelde hij niet dat literatuur een middel tot zelfexpressie was, voor hem ging het, zoals hij in een van zijn brieven schrijft, om communicatie.

Communicatie was alleen mogelijk via taal, maar de taal zelf kon hopeloos ontsporen en iedere echte communicatie onmogelijk maken. In de literatuur zag Kellendonk twee grote gevaren. Aan de ene kant literatuur die louter subjectief was, enkel en alleen uiting van gevoelens en persoonlijke beleving, ‘gemummel’; aan de andere kant de algemeenheden van de journalistiek, die voortkomen uit een niet-bestaand ‘wij’. In beide gevallen is er geen sprake van communicatie, en in beide gevallen is de boosdoener de taal zelf.

Daarom is de Amerikaanse-Brit Henry James een van zijn lievelingsschrijvers (uit de brieven blijkt dat hij het als een roeping zag om James in Nederland bekend te maken). James vat de werkelijkheid op als een geheel van verschillende subjectiviteiten; ons bewustzijn van de wereld is per definitie subjectief, maar we kunnen alleen gekend worden in relatie tot anderen. Dat is hondsmoeilijk, en in de romans en verhalen gaat het dan ook over miscommunicatie, met juist de taal als grote stoorzender.

Tegen het breed uitgedragen universalisme van het progressieve denken koesterde hij in wezen dezelfde bezwaren als tegen de journalistiek – je kunt mensen pas als gelijken zien, wanneer je beseft dat ze anders zijn dan jij. Maar de rechtste reactie daarop bekeek hij met een even scherpe blik. Tijdens een verblijf in Berlijn, waar men een pleidooi voor herbewapening van de Franse intellectueel André Glucksmann heeft omarmd, schrijft hij: ‘De verrechtsing is hier puur egoïsme. Wat Glucksmann niet schijnt te beseffen is dat onze verworvenheden niets betekenen als ze niet humaan zijn. En je legt je humaniteit af als je toestaat dat een man met een geweer jou herschept naar zijn eigen beeld en gelijkenis: als een man met een geweer. Dat is de praktijk van de theorie van de afschrikking. Je wordt dan een koekje van het deeg van je vijand.’

Classicist

Kellendonk noemt zichzelf herhaaldelijk, vooral in de brieven aan zijn kunstbroeder Oek de Jong, een classicist. De Jong beschouwt hij als een romanticus, iemand die in die periode van zijn leven de intuïtie, het menselijk instinct boven de taal laat gaan, terwijl hijzelf geen andere transcendentie voor mogelijk houdt dan tussen mensen, binnen het idee van een samenleving. Vandaar dat hij de liefde tussen twee mensen het allerhoogste acht; in een brief aan Kottman noemt hij die ‘het koninkrijk Gods’.

Kellendonk stierf begin 1990 aan aids. Aanvankelijk lijkt hij de ziekte als een metafoor te beschouwen, die voor hem homoseksualiteit als een doodlopende biologische weg illustreert. Maar wanneer Susan Sontag haar essay over aids als metafoor publiceert, waarin ze zich tegen dit soort moralistische betekenissen keert, worstelt hij oprecht: hij wil zijn best doen om de ziekte geen betekenis toe te dichten, maar tegelijk onderstreept hij opnieuw dat een mens leeft bij de gratie van metaforen, van beelden die hij op het leven plakt. Het is opnieuw een worsteling met open vizier; ook onder zulke zware omstandigheden toont Kellendonk zich een solipsist met een verbluffend open geest.

Zijn ziekte leerde hem de betrekkelijkheid van zijn zo zorgvuldig opgebouwde wereldbeeld. Toen ik niet zo lang voor zijn dood een weekje bij hem thuis verbleef en hem op een avond vroeg of zijn hang naar het katholicisme hem in deze situatie enige vorm van troost bood, schudde hij zijn hoofd. ‘Dat is allemaal onzin.’ Aan de classicus Wim Hottentot schrijft hij een klein jaar voor zijn dood: ‘Wat me de laatste maanden vooral duidelijk is geworden […] is de onverschilligheid van het biologische leven. Dat trekt zich niets aan van menselijke idealen als rechtvaardigheid of naastenliefde. Ik heb heel veel goeds ondervonden van mijn vrienden, veel meer dan waarop ik had durven hopen, maar tegelijkertijd heb ik moeten merken dat al hun zorg en liefde geen spat verandert aan de wreedheid van het leven. Alle beschaving is een wanhopige maskering van die gruwel. Voor een door en door moral iemand als ik, die zijn leven lang binnen de sfeer van het menselijke heeft vertoefd, is dat een akelige schok.’ En dan volgt een even rustig, als hartverscheurend slotakkoord: ‘Ik heb geen gevoelens van wrok of spijt, want op mijn manier heb ik wel degelijk geleefd, maar het was me liever geweest als ik nog een halve eeuw had mogen doorgaan.’

Recensie van klanten

Schrijf uw eigen recensie

U recenseert: De brieven

  •  
    1 ster
    2 sterren
    3 sterren
    4 sterren
    5 sterren
    Beoordeling

* Vereiste velden